Gemeente van Christus, We begonnen de schriftlezing met dat bekende grondwoord uit Genesis over de zegen. God verbindt aan Abraham zijn zegen. En door Abraham, en door Israël uit Abraham ontsproten, en dus door de Zoon van Israël, uit Israël geboren, de Messias, gaat van nu af aan een zegen uit over deze gevallen en vervloekte schepping. Dus eigenlijk is de hele geschiedenis van Israël, en heel de geschiedenis van de kerk tot vandaag toe de geschiedenis van die zegen. En dat woord staat nu in psalm 134 centraal. En daar willen we ons vandaag op richten, bij de bevestiging van ambtsdragers. Deze psalm werd vroeger altijd gezongen na de bevestiging van ambtsdragers: Dat 's Heren zegen op u daal. Het blijkt een foute uitleg te zijn, want niet de gemeente zingt deze psalm naar de ambtsdragers toe, maar de ambtsdragers zingen het de gemeente toe! We hopen dit allemaal te ontdekken als we met elkaar deze psalm stap voor stap doorlezen, en proberen te begrijpen wat daar nu eigenlijk staat. Ik ontdekte iets heel bijzonders in deze psalm, op drie punten. Eerst dat wondere feit dat het een wisselwerking is, een elkaar toezingen zoals vaak bij deze bedevaartsliederen.
Het tweede is dat kernwoord zegenen, we staan stil bij wat dat betekent. En het derde wat me al sinds lange tijd zeer getroffen heeft is dat kleine zinnetje: ook in de nacht. Merkwaardig dat dat er zo tussen staat, alsof het een soort van toetssteen is. Ik kom hier nog op terug. De kern is van deze psalm is dus het zegenen. Je zou kunnen zeggen: "De werkingskracht van het ambt hangt af van het zegenen, en de toetssteen is: "Zegent u hem ook in de nacht?" De psalm begint met: Komt, prijst de Heer alle gij knechten van de Heer. Wie zegt dat tot wie? Boven de psalm staat: een bedevaartslied. Het is de laatste van de bedevaartsliederen, je kunt ook zeggen: het is een climax. Hier gaat het weer over de zegen die de vervloekte aarde moet binnendringen. En deze psalm is aan het eind geplaatst, dus werd hij waarschijnlijk gezongen aan het einde van de bedevaart. De pelgrims gaan weer terug naar hun werk en hun dorp en zij groeten nu, aan het slot van alle vieringen, bij het afscheid de priesters en de Levieten, die daar in de tempel en in Jeruzalem achterblijven, en die daar dagelijks en in de nacht hun dienst verrichten. Zo moeten we ons dat indenken. Het is dus ook een afscheidspsalm.
Het volk wat weer naar huis gaat bidt dit de dienaren in de tempel, de Levieten en de priesters, toe. "Jullie die daar staan in het heiligdom, komt -dat is een extra opwekking- komt, zegent de Here", zeggen ze. Zegent de HERE, jullie die staan in het huis van de HERE, -weer die verbondsnaam met hoofdletters-, en dan tenslotte, die daar ook in de nacht in het huis van de HERE staat. Drie keer in die eerste zin de verbondsnaam die betekent: Ik ben er voor jou. Laat Hem in het middelpunt staan, dat bidden ze de priesters en de Levieten toe. Dat vind ik heel apart. Er staat heel uitdrukkelijk hier hetzelfde woord wat ook staat in vers 2 en in vers 3, dat komt er in onze vertaling niet uit, want het Nederlands Bijbel Genootschap heeft het vertaald met: "Looft de Here", en "prijst de Here", en dan: "de Here zegene u". Maar er staat drie keer hetzelfde werkwoord in het Hebreeuws. Er staat heel uitdrukkelijk drie keer: zegenen, barach. "Heft uw handen op, zegent Hem", en dan: "de Here zegene u." Dat vind ik heel apart. Het volk roept dus de dienaren van God op om bovenal zelf de Here te zegenen, en pas daarna volgt in vers 3 horizontaal een aanspraak aan het volk.
"De Here zegene u", antwoorden dan de priesters uit Sion, "Hij die alle dingen draagt in zijn scheppingsmacht." Ik denk dat het NBG die vertaling veranderd heeft, niet drie keer zegenen gebruikt heeft, omdat wij dat vreemd vinden. Wij, mensen die de lagere zijn, God die de hogere is, zegenen? Wij denken: God zegent ons, wie zijn wij dat wij Hem zouden zegenen? Dat is de omgekeerde wereld, en daarom heeft het NBG gezegd: dan vertalen we dat met loven en prijzen, en in de derde plaats, als God het aan ons doet, dan vertalen we het met zegenen. Maar dat is niet bijbels, en ook niet joods. Een heel opvallend verschil bij het gebed bij de maaltijd. Christenen bidden: Here, zegen deze spijzen. Joden doen het omgekeerd, een Jood zegent God om de spijze. Ieder aanvangsgebed van de Joden bij de maaltijd is: Heer, gezegend zijt Gij, Heer van hemel en aarde, om wat U ons gegeven heeft. En in de berijming wordt dat feilloos getroffen. "Zegent, mijn ziel de grote naam des Heren." God zegenen is Hem vertellen dat je blij bent dat Hij er is, en blij bent om wat Hij voor je gedaan heeft. Dat Hij goed voor je is, rechtvaardig en trouw, geduldig, en dat Hem ook zeggen. Dat is God zegenen.
Dan zegt de bijbel: dat doet Hem goed. Misschien ook een voor ons vreemde gedachte, wij denken: God is hoog en verheven, hoort Hij dat wel? Nee, de bijbel zegt: als mensen, zijn volk, zijn dienaren, als zij Hem zegenen, dan doet dan Hem goed. Want God is ook een persoon, God is Iemand, Iemand met een hart. En God zegenen is eigenlijk: Zijn hart verwarmen. Zeggen dat je van Hem houdt, zeggen dat je Hem liefhebt, zeggen dat je dankbaar bent voor wat Hij is en voor alles wat Hij je gaf. Dat is God zegenen. En nu zegt hier psalm 134: daar begint nu alle zegen horizontaal. Als dat verticale er niet eerst is, dan kun je al dat horizontale wel schudden. Dat is eigenlijk de boodschap van deze psalm. En het volk weet dat. Dat zegt: als die dienaren nu maar God blijven zegenen! Als zij dat maar blijven doen, ook in de nacht, dan varen wij daar wel bij. En zo gebeurt het ook. Het volk zingt dat bij het afscheid, en de priesters antwoorden aan het volk: en u allen uit Sion, zegene u de Here. Dat is van God uit naar het volk toe. Dat is zo in een paar woorden het geheim van die wisselzang in psalm 134. En zo gaan we het elkaar straks ook toezingen. Maar met het zingen alleen zijn we er niet.
Het gaat er natuurlijk om het ook te doen. En in de tweede helft van deze preek wil ik dat met u doordenken, wat dat nu eigenlijk betekent voor het werk in de gemeente en daarbuiten. En dan staat dat kleine zinnetje ook in de nacht centraal. Ik zei al in het begin dat de werkingskracht van het ambt staat of valt met het zegenen. En deze nadruk van psalm 134 trekt al het werk in de gemeente en in het koninkrijk van God weg uit dat benauwende rijtje van plichten en taken en wat je niet allemaal moet doen. Als wij denken aan het ouderlingschap, aan het diaken-zijn, dan stel ik me zo voor dat iedereen direct denkt: help! Huisbezoeken, kerkenraadsvergaderingen, collecteren, activiteiten opzetten, gaven in de gemeente stimuleren, zieken bezoeken, enzovoorts enzovoorts. Dat is natuurlijk allemaal prima, maar psalm 134 houdt ons even vast en zegt: de kern van de zaak is dat niet. En de gemeente moet dat ook niet in de allereerste plaats van zijn ambtsdragers verwachten.
Ze moeten, wat het volk hier doet bij de priesters, hen allereerst oproepen om te blijven bij de kernzaak, ze moeten hen toeroepen: "Gij dienaars aan de Heer gewijd, zegent allereerst zijn naam, te allen tijd." En dan ook dat tweede: "Jullie, die des daags zijn gunst verwachten, zegent de Here ook in de nachten." Toen ik dat zo op me in liet werken zag ik achter die psalm in de allereerste plaats de gestalte oprijzen van de Here Jezus. Want dat is natuurlijk ook het geheim geweest van Jezus' bediening, zijn werk als onze hoogste ambtsdrager. We lazen dat in Mattheüs 14: Hij was op ene berg alleen. En terwijl de discipelen ploeterden op het meer, in de nacht in een storm, was Hij daar op eenzame hoogte aan het bidden. Hij was daar in de nacht en zegende zijn Vader. Hij op de berg, zijn Vader zegenende, en de discipelen daar in het diepe worstelende. Dat is het beeld dat ik, denkend aan het evangelie, zo vanuit de psalm zag opdoemen. En dat zien we ook aan het eind van Jezus' leven. Overal zien we de wet van psalm 134 als het ware in Jezus' leven toegepast. In Gethsémane, de discipelen sliepen of ze vluchtten, maar Jezus was daar alleen en Hij zocht de Vader in dat bidden.
Hij zegende eigenlijk de wil van zijn Vader over zijn leven, en daar worstelde Hij mee. En toen Hij daarmee klaar was, toen kon Hij er ook weer op uitgaan en tot een zegen zijn voor velen. Want daar eindigt het evangelie van Lucas mee: terwijl Hij hen zegende, scheidde Hij van hen. Dus we moeten ons Jezus voor ogen houden als degene die achter de psalm staat, die achter het ambtswerk staat, die achter de hele gemeente staat, en dat we Hem altijd mogen zien als degene die zegent. En dat is die geheime wet: Jezus had wat met God, en daarom hebben wij wat met Hem. Als Jezus niet steeds altijd weer in die bediening had gestaan van het de Vader zegenen, dan was Hij voor ons van geen waarde geweest. Dat is ondenkbaar, maar ik zeg dat zo om de kern aan te geven. En daar komt het op aan: de dienaar van het nieuwe verbond is er Een die eerst de Vader zegent, en dan van daaruit zegen geeft aan het volk. Dat is het geheim van iedere ambtsdrager. We moeten dus oppassen voor het 'socialiseren' van de ambten.
Dat ambtsdragers van die bezige bijen zijn die overal maar rondsnorren en activiteiten opzetten: dit moet en dat moet en er moet zo veel ontzaglijk veel, dan pakt psalm 134 ons beet en zegt: nee, eerst dit: zegent de Here, zegent de Vader. Doe dat eerst en trekt er dan pas op uit. Ik zet daarmee niet de ambtsdragers op een voetstuk. We hebben het zo over die twee categorieën, het volk en de dienaren, de gemeente en de ambtsdragers. Nee, in het nieuwe testament is er alleen een gradueel verschil tussen ambtsdragers en gemeenteleden. Het is een hele goede gereformeerde term om te zeggen dat het ambt, welk ambt het ook is, alleen een 'verbijzondering' is van het ambt dat we allemaal hebben. Dus de ambtsdragers hebben een 'verbijzondering' van het ambt van alle gelovigen. Dus geldt deze wet van psalm 134 niet alleen voor ambtsdragers, maar ze geldt voor ons allemaal, voor u en voor mij. De eerste opdracht die deze psalm ons meegeeft is: zegent de Heer ook in de nacht. En daarom doemde daar voor mij die gestalte op van de Here Jezus, die in de nacht ons droeg en zo een zegen werd, die in de nacht de Vader vasthield en Hem zegende en zo tot een kracht kon worden voor heel de wereld.
Dat kleine zinnetje 'ook in de nacht' heeft me altijd getroffen, zei ik al. Hoe vaak hebben we deze psalm niet gezongen als een zegenbede, en dan steeds dat vreemde 'ook in de nacht' daartussen. Ik heb er wat commentaren op nageslagen, en die weten er geen van allen goed raad mee. Ik zal een paar oplossingen noemen. De ene zegt: blijkbaar zongen ze deze psalm toen ze 's avonds aankwamen, of 's avonds weggingen van de tempel: gij die hier dienst doet in de avond. Ik vind dat wat vergezocht. Een tweede zegt: sommige grote feesten begonnen met een nachtdienst. Dat is nog niet zo gek, het zou misschien wel de historische oorsprong kunnen zijn, ik weet het niet. Wij hebben ook een kerstnachtdienst, zo hadden de joodse grote feesten vaak een nachtdienst voordat het feest begon, en dan zou deze psalm worden gezongen. In ieder geval aardig gevonden. Een derde kwam met deze oplossing: er stond eigenlijk 'bij dagen en bij nachten' en bij het overschrijven is dat 'dagen' vergeten. Ook heel inventief maar een klein beetje schriftkritiek vind ik het wel. Zo waren er een heleboel oplossingen om dat woord 'ook in de nacht' uit te leggen.
Maar toen ik de psalm in zijn geheel las en daarbij op de achtergrond de gestalte van de grote ambtsdrager Jezus zag, die juist in de nachten altijd worstelde met zijn Vader en zo tot een zegen werd voor het volk, toen werd dit woord voor mij toch wel een heel bijzonder woord, het werd een toespitsing en een toetssteen. Of we echt God zegenen komt toch vooral uit in de nachten. En wat betekent dat 'in de nachten'? Dat niemand je ziet, daar ligt echt wel de toetssteen, daar heeft de Here Jezus al over verteld in de Bergrede. Daar leerde Hij de discipelen te bidden in de binnenkamer, als niemand ons ziet. Want voor de mensen, voor anderen houden we de voorgevel op. Maar Jezus zegt: "Het echte, het ware vind je in de binnenkamer, wanneer we daar bidden, en de Vader die in het verborgene ziet, die zal u vergelden." Zo heeft de Here Jezus dus ook de discipelen al heengedrongen naar die verborgen omgang met God. Dat zit in de nacht, als niemand u ziet. Niet voor het oog van de mensen. Daar is de toetssteen. Maar er is nog iets: 'in de nacht' is in de bijbel ook altijd de plaats van gericht. De tiende plaag in de nacht in Egypte.
De nachten zijn de momenten waarop we overvallen worden door eenzaamheid en door aanvechting en door geestelijke verwarring en door klein geloof en twijfel, wat maken we soms niet door in de nachten. Moet je ook dan God zegenen? Ja, dat staat er. Zegen God ook in de nacht, hoe is dat mogelijk. Dat is totaal onmogelijk, tenminste als we onszelf niet kunnen laten terugvallen op die gestalte van Jezus zelf. Want als je zelf niet kunt bidden dan mag je je laten terugvallen op die ene Hogepriester die het wel deed en die het wel doet; Hij die de gestorvene is, nog meer de opgewekte, de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit. In momenten van onmacht bid ik altijd gewoon maar letterlijk na wat Jezus ons heeft leren bidden, dat helpt. De discipelen konden toen ook niet bidden en vroegen de Here Jezus: "Leer ons bidden." En Hij leerde hen bidden. En als je dat maar gewoon nabidt dan ben je bezig te bidden waarvoor Jezus nu nog bidt. En voeg je je worstelend toch in dat bidden tot God, dat zegenen van de Vader. Dat is het tweede. En tenslotte is de nacht in de bijbel ook een woord voor soms een heel tijdsgewricht, een hele periode.
Toen Israël in ballingschap werd gevoerd, was het in de nacht. En ze moesten het leren om ook daar vol te houden God te zegenen, ook in de nachten. En daarom las ik vanmorgen Romeinen 13. Want in Romeinen 13 zegt de apostel Paulus van onze tijd, de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Jezus, dat dat eigenlijk een nacht is! En hij zegt: "De nacht duurt al heel lang, maar hij is vergevorderd, de dag is nabij!" En hier zegt de psalm nu ook: "In die nacht moeten we volhouden de Vader te zegenen". Het evangelie zegt: "De Here Jezus is als een koning heengereist naar een ver land, en hier zijn wij intussen alleen gelaten, we zijn in de nacht, maar zouden we daarom het zegenen vergeten?" Nee, juist dan komt het er op aan dat wij als dienaren aan de Heer gewijd Hem blijven zegenen, ook in de nacht. Over die zegen hebben we het nu gehad. Daar draait eigenlijk alles om. Dat is iets ongrijpbaars voor ons mensen, maar er wordt een aantal regels aangegeven in deze psalm: doe dit, en je wordt tot een zegen! Volg op wat het volk je toezingt: "Zegen de Here, ook in de nacht", en je wordt tot een zegen.
Psalm 134, een psalm met het oog op de bevestiging van ambtsdragers, maar ook met het oog op onszelf. De zegen moet verder. Dat dreef Abraham, dat dreef Israël, dat drijft de gemeente van Christus. Die zegen is het extra wat het leven echt levenswaardig maakt. Die rivier van Ezechiël, die uit het heiligdom stroomt naar de woestijn en naar de Dode Zee, en die zegen verdrijft de vloek. Het is de kracht van de liefde van God, die zichtbaar wordt in levensherstel. Dat is de zegen, heel aards. In brood en wijn, maar ook heel diep in verzoening en in vrede. Die zegen gaat uitstromen, van de gemeente uit naar de wereld, van ambtsdragers uit naar de gemeente, als de dienaren de lofzang gaande houden, als ze God blijven zegenen ook in de nacht. Als niemand je ziet, als de golf van aanvechting over je komt, en ook als de wederkomst uitblijft. Zo heeft Jezus het ons voorgehouden. Hij is op die weg ons voorgegaan, en ons op die weg ook onze kracht, Hij zal daarin naast ons staan. Amen. Terug naar de de verkondiging van deze preken . Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk. Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl