Bijbeltekst: Psalm 84 — Uit de serie: Psalmen

Gemeente van Christus, Om deze psalm goed te verstaan zou ik hem in drie delen willen splitsen en dat met een kernwoord aangeven. Als u zo de psalm doorleest denk ik dat het eerste hoofddeel, vers 1-4, als kernwoord heeft: verlangen: mijn ziel verlangt, vers 3a. En het tweede deel lees ik vanaf vers 5 tot en met vers 8, dat kenmerkt zich door dat dubbele: gelukkig de man, -welzalig de mens, ouderwets gezegd, maar inderdaad het is een felicitatie-, gelukkig is de man in wiens hart gebaande wegen zijn, die zijn sterkte zoekt in God. En dan volgt daarna dat derde en laatste wonderlijke deel, dat eigenlijk helemaal gaat rondom het gebed aan die Gezalfde: Zie en aanschouw de Gezalfde. Wie die driedeling volgt ziet hoe de psalm begint met heimwee, dat diepe verlangen naar God, en dan voortgaat in een gelukwens, het doet je wat, het verandert je, het maakt je een ander mens, en tenslotte eindigt het met een smeekbede, waarin we eigenlijk weer teruggeworpen worden op het feit dat we alles te danken hebben aan een derde, die Messias, want Gezalfde is de letterlijke betekenis voor Messias. Dat is zo de hoofdlijn van de psalm. Alles draait om God en toch gaat het om de mens.

Dat is kenmerkend voor de psalm, eigenlijk voor heel de bijbel. Het draait om God, maar het gaat om de mens. En dat laat psalm 84 zien, vandaar dat ik als kern in de samenvatting op het informatiebulletin heb gezet: Je wordt pas echt mens als je je sterkte in God zoekt. Dat vind ik de kernboodschap van de psalm. We gaan de psalm nog eens na, door zo stap voor stap deze drie delen met elkaar door te lezen. Ik zei al, het eerste gedeelte heb ik getypeerd met heimwee. Heimwee, 'heim' is thuis en 'wee', dat is een heel diepe hunkering. Want dat eerste deel van de psalm is doortrokken van dat plotselinge verlangen, dat gevoel van daar thuis te komen, want, staat er boven, het is een pelgrimslied, dat wil zeggen dat deze psalm in de eerste plaats geboren is in de mond van iemand die een lange pelgrimstocht voltooid had, en dan in de buurt komt van Jeruzalem, en dan kun je soms zo op de stad neerkijken vanaf één van die daarom liggende heuveltoppen.

Moet je je indenken: de pelgrim -man of vrouw- heeft daar onweer, woestijnachtige gebieden en allerlei gevaarlijke momenten getrotseerd, door de donkere bossen, is al lang op reis en komt dan tenslotte daar uit bij Jeruzalem, en ziet daar die woning van God, die tempelgebouwen liggen, zo zegt hij het dan. En dan is daar een climax in die drie zinnen in vers 2 en 3, eerst van: "Nu besef ik pas hoe ontzaglijk veel ik van die tempel houd, hoe daar mijn hart naar uit gaat", en dan dat tweede: "Mijn ziel verlangt ernaar om daar te zijn", en dan het derde, en daarin stoot hij door naar dat wat er toch de kern van is: "Mijn hart en mijn vlees, -dat wil zeggen heel mijn bestaan- jubelen, tintelen van verlangen om te komen tot de ontmoeting met de levende God". Daar heb je dat woord wat zo uniek is voor de bijbel, de bijbel spreekt over God als de levende God. Maar dat is eigenlijk de inzet van de psalm. Ik noemde dat een soort van diepe herkenning, eigenlijk vindt mijn leven daar zijn vervulling, daar weet ik dat ik thuiskom. En dit voltrekt zich in het leven van die pelgrim als hij dicht bij Jeruzalem komt.

Soortgelijke gevoelens kunnen mensen overvallen als ze jaren van huis geweest zijn, bijvoorbeeld na de laatste wereldoorlog, mensen die in Duitsland in een kamp hadden gezeten, of aan het front waren geweest, en dan na jaren weer thuiskomen. En dan, als het grind onder je voeten knarst, het geluid van de klink van de poort, de geur in de keuken, en het tikken van de klok, dan zeg je: "Ja, hier kom ik thuis". Dat soort grondgevoel, dat wordt nu door de dichter als het ware aangegrepen, gebruikt om te zeggen: Zo is het toch met ons mensenleven in verhouding tot God. Eigenlijk zijn wij ontheemden, vreemd, maar we komen pas thuis als we daar de gemeenschap ondervinden met God. Dat zijn de gevoelens die in dat eerste deel van psalm 84 liggen opgesloten. Plotselinge verwondering, hoe ongelooflijk dat we bij de gemeenschap met God de diepste vervulling van ons leven mogen vinden. Het heimwee en het thuiskomen zijn hier de beschrijving van gevoelens die de dichter overvallen als hij weer naar de tempel gaat.

Dat is de inkleding en daarachter zit dat diepere, dat vind ik het bijzondere van deze psalm, het is ingekleed in oudtestamentische vormen, het gaat over de tempel, de voorhoven en dat wat de dichter in de liturgie van die tijd beleefde, maar ik denk dat wij dat op onze wijze ook kennen. Die gevoelens komen bij ons boven wanneer we muziek horen waarin God centraal staat, of bij een ontmoeting met iemand die ons echt het woord van God doorgeeft, zodat we door die woorden ineens zijn stem horen, of in samenkomsten waar Christus centraal staat, daar worden bij ons hele diepe gevoelens opgeroepen, en die gevoelens, zegt psalm 84, kun je het best omschrijven met heimwee. Opklimmen van de inkleding van de uiterlijke vormen, de traditionele woorden, de liturgie, naar, wat een duitse theoloog eens noemde, de God achter God. En ik begrijp wat hij bedoelt, achter de God van de overlevering, van de traditie, van de uiterlijke vormen, klimt hij op naar de God die leeft. De psalm gaat ons daarin voor: Mijn hart en vlees jubelen tot de levende God.

En daar stoot de dichter er dus door, dat in en onder en achter alle vormen van liturgie, van woorden en hymnes, van woordkeus en beeldtaal het gaat om die levende God. De werkelijk bestaande, reële, levende, ene, barmhartige, heilige God. Waar dat gebeurt is het alsof een mens thuiskomt, of er een diep verlangen wordt vervuld. Er schuilt een heimwee in het mensenhart, dat niet psychologisch valt te verklaren en dat tijd en ruimte te boven gaat. En dat is dat verlangen naar God: U, die mij geschapen hebt. Het is zelfs zo dat de eerste evangelieverkondiging in onze germaanse landen daarbij aansloot. Ik las deze week het begin van de nieuwe roomskatholieke catechismus, en die begint met een prachtig verhaal. Het is een verhaal over hoe de eerste ierse zendelingen hier aan de germanen duizend jaar geleden het evangelie brachten. En waar is het allemaal begonnen? Nu wordt verteld, een mooi verhaal, dat daar een ierse monnik een bezoek bracht aan de frankische koning, ik geloof Clovis, en die zat met zijn edelen rond een openhaardvuur in zo'n kasteelzaal.

In het jaar duizend hadden ze natuurlijk nog geen glas, dus rondom in die zaal waren luchtgaten in de muren, die open waren, daarom school men dicht rondom het vuur om warm te blijven. En daar zat ook de ierse monnik bij, iedereen was benieuwd wat hij te zeggen had. En als hij het woord krijgt, dan vliegt daar opeens door één van die open gaten een vogel naar binnen. Iedereen hoort het klapwieken van de vleugels en kijkt, en die vogel vliegt het ene gat in, en het andere gat weer uit. En dat grijpt die ierse monnik aan. Hij zegt: "Kijk, iedereen heeft het gezien, die vogel vliegt er hier in en daar weer uit. Dat is nu het beeld van het menselijk bestaan. Je wordt geboren, komt het leven in, sterft, gaat er weer uit, maar wat is de zin van dit alles als je nergens thuis komt?" Alle germaanse edelen die daar zaten voelden waar hij naar toe wilde, dat die man gelijk had. Dat hun leven een gat had, een leegte, ons leven is verloren als er geen thuis is! Als de vogel die geen nest heeft, zo vliegen wij even door het bestaan om er weer uit te vliegen.

Ik weet niet of die zendeling toen psalm 84 erbij heeft opgeslagen, maar hij had het kunnen doen, want de dichter van psalm 84 gebruikt ineens ook dat beeld, van die mus en die zwaluw, een voorbeeld uit de natuur. Hoe verloren hun leven zou zijn zonder een nest, en dan komt er zo'n klein beeld wat op zijn netvlies is blijven steken toen hij als pelgrim daar de tempelhof binnenkwam, ineens zag hij daar in de tempelhof onder het brandofferaltaar een zwaluwennest! En daar, een nest van een mus! En ineens wordt dat voor hem een fantastisch beeld, hij zegt: " Moet je nagaan, zelfs een vogeltje, een onbeduidend vogeltje -wie denkt aan een mus-, zelfs dat onbeduidende vogeltje krijgt daar een nest, een thuis onder Uw altaren!" En dat wordt voor hem een fantastisch beeld. Er is geen mens of God wil hem een thuis bezorgen, en wil hem bergen onder zijn vleugelen. En zo vertelt die ierse monnik, - ik weet niet of hij dit laatste werkelijk gezegd heeft, maar zo zou hij het hebben kunnen zeggen-, hoe ons leven zijn diepste zin heeft als ons hart rust vindt in God, zoals Augustinus al zei. Ons hart blijft onrustig in ons, totdat het rust vindt in God.

Die diepe hunkering en dat weten dat die bestemming er is voor de kleinste en de grootste, dat zeggen de mus en de zwaluw, dat is het eigenlijk wat het eerste deel van psalm 84 helemaal vervult en doortrekt. En pas als de dichter dat beseft, dan prijst hij zichzelf en zijn medepelgrims gelukkig, dat is het tweede deel. We lezen drie keer in de psalm: welzalig, in vers 5, vers 6, en dan aan het slot komt het in vers 13 nog een keer terug. Ik zei al, dat is de gewone uitdrukking voor een gelukwens. Er staat: je bent gelukkig te prijzen: gefeliciteerd! Dat betekent het. De psalm zegt dus iets heel bijzonders: Dat diepe verlangen, je rust vinden in God, dat heeft een enorme uitstraling naar het karakter van de mens. Geloven in God maakt mensen bijzonder, het werkt zich uit in een bepaald soort mensentype. Dat kun je ook omkeren: wie niet gelooft in God, dit heimwee niet kent, die verliest iets, die raakt van zijn anker af en ook dat heeft een uitstraling op het soort persoonlijkheid dat hij wordt.

Eigenlijk is dit heel actueel, wat hier in het middendeel van psalm 84 staat, want wij leven in een tijd waarin heel veel mensen God loslaten, en waarin dan toch eigenlijk het gevoel groeit van: Wat maakt het eigenlijk uit? Zijn niet-gelovige mensen nu minder goede mensen? En zijn christenen nu echt betere mensen? De tendens in onze tijd leidt altijd weer tot een soort van volgende stelling: of je nu in God gelooft of niet, het maakt geen verschil! Dat is natuurlijk een heel verleidelijke stelling, want iedereen weet voorbeelden te noemen van christenen die zich schandelijk gedragen, en iedereen weet voorbeelden te noemen van niet-christenen, niet-gelovigen, die voorbeeldig zijn, dus wat maakt het uit? Daar gaat nu deze psalm tegenin. De bijbel zegt: het maakt wel degelijk uit! Het maakt een enorm verschil! En dat wil ik tot me laten spreken en ook doorgeven. Wie echt in zijn hart met God rekent, die doet bepaalde dingen niet die je anders wel zou doen. Dat is hier gewoon gegeven, zo ligt het. In psalm 84: 6 staat: Gelukkig te prijzen zijn de mensen die in Uw huis wonen en die hun sterkte bij U zoeken.

Dat zijn dus niet de 'naam'christenen, die worden hiermee gelijk al buiten boord gezet, de 'naam'christenen die uiterlijk tussen de christenen zitten, zoals schijntarwe, valse tarwe, opkomt tussen het goede tarwe. Die worden niet bedoeld, nee: Gelukkig hij, zij die zijn rust, houvast, vrede en vreugde in God zoekt. Daar gaat het over, over die mensen. "In hun hart", zegt de psalm, "zijn de gebaande wegen". Dat vind ik prachtig gezegd: in hun hart zijn de gebaande wegen. Zo typeert de psalm die mens. Gebaande wegen in je hart hebben, dat zegt voluit iets over een soort mensen. Gebaande wegen, dat hebreeuwse woord wat daar staat is gewoon het huis-tuin-en keukenwoord voor een verharde weg. Je had allerlei paden die niet verhard waren, kronkelend tussen de heuvels door, kronkelweggetjes, maar er waren ook verharde wegen, en die gingen recht op het doel af, zoals de pelgrimsroute zelf die de dichter gevolgd had. Daarom zegt Ida Gerhard ook: "Ze hebben pelgrimswegen in hun hart". Die directheid en duidelijkheid wordt het kenmerk van het binnenleven van een christen. Wat je van buiten ziet: hij is een pelgrim, en hij loopt naar een reisdoel, dat wordt ook het kenmerk van het binnenleven.

Ineens valt de sluwheid weg: het zijn gebaande wegen, dus de sluwheid valt weg, het masker valt af, de dubbele bodem verdwijnt, de kronkelwegen met de verborgen doelen veranderen. De verraderlijkheid, de afgoden, alles verdwijnt. Ziet u dat dat een ander soort mens is? Ik denk dat wij vandaag heel erg sterk dat gelovige zelfbewustzijn nodig hebben, en dat christelijke karakter: harten waarin gebaande wegen zijn. Daar heb ik wat over zitten filosoferen, over gebaande wegen. Die staan tegenover kronkelwegen, tegenover doodlopende wegen, en tegenover dwaalwegen. Dat zijn drie dingen in ieder mens, die ons van nature in het hart zitten. En dat moet verdwijnen. En dat trekt zich recht, als het hart zich laat vervullen door verlangen naar God in wie ik mijn sterkte zoek. Dan trekken mijn wegen recht, dat gaat absoluut gebeuren, dat is een vaste belofte voor een ieder die dat doet. Kronkelwegen, dat zijn de dubbelzinnigheden, vind ik, van ons zondige hart. Iets zeggen, maar iets anders bedoelen. Mensen misleiden, liegen, om de tuin leiden, een pokerface trekken, jaloers zijn, je eigen wil doorzetten, eigenwijs zijn.

Eigenlijk is ons hart vol van zulke kronkelwegen, maar dat trekt zich recht tot een gebaande weg als ik op God vertrouw. Doodlopende wegen, en dat zijn er heel veel, dat zijn wegen die ons eigenlijk aantrekken, omdat ze wel naar een fantastisch doel lijken te leiden, maar ze lopen absoluut dood. Het zijn de wegen die naar een verkeerd doel leiden, je zou kunnen zeggen heel dat vervlochten zijn van ons leven met afgoden, de doelen van onze tijd: geld, goed en genot. De winkel open, ook op zondag, en vooral er naar toe gaan, vooral consumeren. Alles op het spel zetten om nog meer winst te maken, nog meer geld te verdienen. En genot: onze tijd is over-sexueel, met valse prikkels, via advertenties, het kabelnet, de film, zelfs de muziek, dat lijken aantrekkelijke wegen, en we worden erdoor van de weg afgetrokken, ze lopen absoluut dood, ze stellen teleur, ze laten je leeg en uitgeblust achter. Waar gebaande wegen zijn wordt de kronkelweg recht, wordt de doodlopende weg niet ingeslagen, wij hebben het door, die loopt dood, en de dwaalwegen worden onderkend, want we laten ons toch zo verstrooien en afleiden. De dwaalwegen, dat zijn die dagelijkse misleidingen.

We hebben echt gewild die dag voor God te leven maar we laten ons weer verstrooien door iets, halverwege zijn we van het spoor af. De dichter zegt: Als ik mijn reisdoel helder voor ogen houd en mijn kracht in God zoek, en ik zeg iedere dag: "Heer, U bent mijn sterkte, U bent mijn doel", dan word ik eerlijk. Dat gebeurt, dan word ik eerlijk, dan krijg ik karakter, dan houd ik mijn zaak op zondag dicht, dan gooi ik de porno-zenders van het net af, dat kan, met een heel kleine moeite kun je ze zo van je net afgooien, dan drink ik niet teveel wijn, dan word ik een open en een kwetsbaar mens, want ik heb heimwee, en ik laat mijn leven doortrekken met dat verlangen naar God. Wie zo zijn reis door het leven voltrekt, die gaat iets uitstralen, zegt de psalm. Ik lees nu verder naar vers 7: Trekken ze door een dal van balsemstruiken, verkeren ze in een oord van bronnen.

Dat is natuurlijk een prachtig beeld, ook weer ontleend aan die pelgrimstocht, want die balsemstruiken zijn akelige, harsachtige, prikkende struiken, en vlak voor dat je in Jeruzalem aankwam was daar zo'n dal wat in de zomer lag te zinderen in de hitte, en daar lagen die akelige rotstruiken, en ellendige kwellingen, want daar zijn ze natuurlijk een beeld van, en dan moest die pelgrim daardoor en dat stak hem en kleefde aan zijn voet, er zat hier en daar een slang onder die struiken verborgen, waar hij voor moest oppassen, en dat wordt dan voor de dichter een beeld. Want wat gebeurt? Mensen zeiden al eens vaker tegen hun kinderen: Weet je wanneer de najaarsregens komen? Als de pelgrims weer op komen dagen voor het loofhuttenfeest. Want dat is een feit, in die tijd van het jaar dalen de najaarsregens neer, de vroege najaarsregens, vlak voor het loofhuttenfeest, en dat is de tijd dat die pelgrims door dat dal liepen. Ziet u wat er gebeurt?

Heel wonderlijk, dat wordt een beeld, een fantastisch beeld van wat er gebeurt onder de voeten van die pelgrims, dan daalt daar die najaarsregen neer in die zelfde tijd en dat zelfde dal met die prikkende, akelige, harsachtige struiken, die kleverige dingen, die je dwarszitten en irriteren, wordt dan tot een oord van bronnen! Ineens ritselen daar beekjes, komt daar leven, en veranderen die struiken in bronnen, zegt de dichter. Dat is natuurlijk een beeld, een beeld voor wat er in het leven gebeurt als je op God vertrouwt, in Hem je sterkte zoekt. Zelfs bij pijnlijke problemen komt er juist dan op die momenten iets boven van de kracht van God, en dat verkwikt, dat heeft een uitstraling naar anderen toe. Ik heb dat vaak meegemaakt, want ik ben vaak betrokken geweest bij zwaar getroffen mensen, en dan heb je ze bezocht en dan denk je achteraf: eigenlijk heb ik meer gekregen dan dat ik heb gegeven. Dat zal uw aller ervaring wel eens zijn geweest: je gaat naar die mensen toe, en inderdaad, de balsemstruiken zijn bij hen een oord van bronnen geworden, daar is de kracht van God doorheen gekomen.

De apostel Paulus geeft daarvan in het nieuwe testament een voorbeeld als hij het heeft over zijn eigen doorn in het vlees, u kent die passage wel, hij had één of andere pijnlijke kwelling, hij noemt dat een doorn in het vlees, en dan bidt hij daarvoor tot drie keer toe, maar God neemt niet weg. En dan zegt Paulus: "Daar heb ik iets heel dieps geleerd, namelijk dat de kracht van God pas openbaar wordt in zwakheid". En dan zegt hij: "Ik zal in die zwakheden gaan roemen, want ze worden tot een oord van bronnen". De balsemstruik werd tot een oord van bronnen, de kracht van God openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. En dat is het ook wat daar op volgt: Zo gaan zij voort van kracht tot kracht. Dat is niet de eigen kracht, maar kracht in zwakheid. En zo gaan zij voort van het ene naar het andere moment waarin zij in hun zwakheid kracht van God ontvangen, tot ze hun reisdoel bereiken, en dat is het verschijnen van God in Sion. Dat is het slot van het tweede deel van de psalm. Het is dus ontleend aan wat ieder najaar gebeurde als daar de regens kwamen en de verschroeiende hitte en de verschrikkelijke struiken die daar stonden, die plaatsen veranderden in oorden van bronnen.

Ik kan me heel goed voorstellen en er heel goed mee meevoelen dat de dichter op dit punt aangeland, behoefte heeft om te bidden, want tot nog toe heeft hij nog niet gebeden. Als je zo tot slot alle aandacht op de mens hebt gericht, en daarmee in de spiegel hebt gekeken, dan leidt dat tot gebed, en daar eindigt deze psalm met name in, in dat slotgedeelte vanaf vers 9; Hoor mijn gebed, neem het ter ore, o God van Jakob. En natuurlijk, in dat gebed zit dan: Hoe word ik zo'n mens, hoe blijf ik op die weg? En daar gaat het slot van die psalm over en die geeft daar een heel duidelijk antwoord op, eigenlijk heel verbluffend. Want het gaat in het centrum van die psalm over die Gezalfde! Zie en aanschouw het aangezicht van uw Gezalfde. Eigenlijk mondt dat gebed maar in één smeekbede uit en dat is: Zie en aanschouw uw Messias. Dat staat er, dat is alles wat hij bid. Zeshonderd jaar, achthonderd jaar, misschien wel duizend jaar voordat de Messias verscheen! Zo ver daarvoor bidden er al bidders hier in Israël: Heer, zie ons aan in die Gezalfde. En ik weet wel, de dichter van psalm 84 heeft daarbij gedacht aan David, of aan een zoon van David, de koning uit het geslacht van David.

Maar je zou beter moeten zeggen: hij heeft gedacht aan wat God belooft dat Hij door die Gezalfde koning gaat doen. Daar heeft hij aan gedacht, dat Hij door de Zoon van David de wereld zou zegenen, het kromme zou rechttrekken, genade en ere zou geven, daar heeft hij aan gedacht, en daar is dat slotdeel van psalm 84 dan ook vol van. Al die andere dingen, dat diepe verlangen en dat wat de mens ontvangt in zijn verhouding tot God, al die dingen vinden hier hun centrum in het geconcentreerd zijn op de Messias, op Jezus Christus, de Zoon van David. Hij werkt het in ons, en wij vragen God: "Heer wilt U door Hem ons vrucht doen dragen, en wilt U door Hem ons sterk maken, wilt U door Hem ons vergeven, door Hem ons ook tot een zon en een schild zijn." En Hij verandert ons innerlijk. Er komt een innerlijke vastberadenheid die aan het slot van de psalm zo prachtig in een beeld wordt gevat: "Ik ben liever één dag drempelwachter op de drempel van de tempel, de geringste positie, dan dat ik duizend jaren vertoef in de tenten van de goddeloosheid". Hij gaat totaal en alleen voor de ontmoeting met God.

Zoek het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en de dichter weet: dan wordt al het andere hem gegeven. Daar eindigt de psalm. Het gebed van de psalm is: Here, hoor mijn gebed, zie en aanschouw het aangezicht van uw Gezalfde. En als God naar de mensen kijkt en Hij hoort hun gebeden, en Hij ziet hoe ze tobben en hoe ze tekortschieten en hoe ze falen, dan maakt dit gebed dat daar ineens tussen God en de mens de Messias inschuift, met zijn zegenende handen, met zijn voorbede voor de wereld, de Messias stapt er tussen, en God ziet ons in en door Hem. En dan gaat zijn zon weer schijnen en dan gaat Hij ons met zijn schild beschermen, dat staat aan het slot, en dan wordt zijn kracht in zwakheid openbaar. En daarom eindigt de psalm met die lofprijzing: Gelukkig de mens die op U vertrouwt. Tot slot vat ik nog even samen. Deze psalm is eigenlijk geschreven om ons op de weg te houden. Dat is de kern van de psalm, het is een pelgrimslied. Het gaat de psalm erom ons op de weg te houden en de ogen op het reisdoel te richten. En je zou kunnen zeggen als punt één: dring daarom steeds weer in uw leven door tot dat diepste heimwee, waar het christendom duizend jaar geleden begon.

Dring door tot dat diepe verlangen naar God, laat dat bovenkomen en laat je erdoor leiden. Punt twee: kies voor die gebaande wegen, toon christelijk karakter, en het derde: schuil onder het kruis, dan wordt het een goede week en zal de Here u zegenen, want Hij onthoudt het goede niet aan wie oprecht op Hem vertrouwen. Amen. Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk. Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl