Gemeente van Christus, Deze geschiedenis van Hanna, het is een vertelling van een leven vol tragedie, heel persoonlijk levensverdriet. En toch ook een openbaring als je het leest. En ik denk dat je het zo moet zeggen omdat over heel die geschiedenis, als je die leest en ziet waar die uitmondt in de lofzang van Hanna, je eigenlijk het licht van God ziet vallen, en het licht van zijn heilsplan. Deze preek van vanmorgen ligt in het verlengde van vorige zondag. Want vorige zondag was de tekst: Dat we mogen kennen de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte van Jezus Christus, Die alle verstand te boven gaat. Nu, hier in Samuël zien en lezen we in levende lijve en met eigen ogen hoe dat Messiaanse licht daar, al in het oude testament, valt over de gebrokenheid van het bestaan. In zeker opzicht kun je zeggen dat Hanna ons vanmorgen allemaal daarnaar meetrekt, omhoog voert met beide handen, naar Hem toe, Die ze in het laatste woord van haar loflied prijst: de Gezalfde, de Messiaanse Koning. Maar we lezen eerst weer eens het verhaal. In enkele verzen aan het begin, vers 1-4, wordt het kader van deze geschiedenis aangegeven.
Het begint met: Er was eens een man, Elkana, en hij ging ieder jaar naar Silo. Daar waren Eli, Hofni en Pinehas. Dat is de inzet. 'Er was eens' betekent in de bijbel nooit het begin van een sprookje. Maar het betekent altijd: Nu gaat er iets nieuws gebeuren. Je zou eigenlijk moeten vertalen: En het geschiedde. Zoals Lukas 2 begint, en zo mag je het hier ook vertalen: Er gaat nu iets nieuws gebeuren. En dat is nodig ook, want de namen van Hofni en Pinehas weerklinken aan het slot van dit kader. Hofni en Pinehas, heel Israël kende hen, het waren bekende figuren. Het zijn namen die Israël direct doen denken aan verloedering. Aan het slot van Richteren lezen we daarvan, want 1 Samuël sluit daar direct bij aan. We lezen daar: Toen deed iedereen wat goed is in eigen oog. Daar eindigt Richteren mee. En daar knoopt hier 1 Samuël 1 bij aan. "In die dagen was er geen Messiaanse koning in het land", zegt Richteren. En daar komt het door. De koning van God ontbreekt, en wij zeggen in onze tijd: "Als de kern van Christus wegwijkt, dan vervalt een land. Dan gaat iedereen doen wat goed is in eigen oog.
En mensen worden als schapen die geen herder hebben." Maar dan gaat God iets doen: En het geschiedde. Het eerste boek van Samuël beschrijft de overgang van deze verloederende en verloederde Richterentijd naar Koningen. Het is de overgang van een tijd waar sprake is van seksuele verwording, op zichzelf gerichte genotzucht, en religieuze verdwazing, zie Richteren 19 - 21. In Samuël 1 wordt beschreven hoe dit overgaat in Messiaanse I Samuel 1 - 7 tijden, straks, in dit boek nog, komt de koning, de man naar Gods hart eraan: David. Zo had God het bedoeld. Zo wilde Hij als het ware in deze overgang Israël wegleiden uit die Richterentijd. En als ik het zo beschrijf, dan voelt u hoe het begin van dit boek Samuël mij erbij betrekt. Want in zeker opzicht gaat het, zoals in heel de bijbel, over u, over mij, over ons. De vraag die oprijst is: "Zouden wij misschien ook in zo'n overgangstijd leven?" Tussen aan de ene kant verwording, geestelijk verval, en aan de andere kant het rijk van de Gezalfde, de komende Koning. Leven we daar eigenlijk niet volgens de bijbel? Waar bidden we anders het Onze Vader voor: Uw rijk kome? We leven met het oog op de komst van de Messias.
Nu, dan zijn we des te meer benieuwd naar wat deze geschiedenis van Hanna ons te zeggen heeft! De tweede etappe in het verhaal. Na de inleidende woorden -vers 1-3- zwenkt de camera en zoomt als het ware in op een heel huiselijk tafereel. Kan dat, dat een groot begin, een nieuw begin van God, zo klein begint? Daar in een huisgezin, bij een vrouw zonder kinderen? We lezen van een persoonlijke tragedie. Wij zouden zeggen: "Ja, maar dat is toch brandhout voor het koninkrijk van God?" Maar de Here denkt daar anders over. En dat zal blijken. Je zou kunnen zeggen: "Hij gebruikt brandhout en Hij maakt er een bouwsteen van!" Alles wat hier gebeurt is voor ons wel ontzaglijk herkenbaar. Een gezin, een gebroken gezin met, onderhuids en soms in wilde uitbarstingen, haat en jaloezie. Allereerst is daar de fout van Elkana, om er een tweede vrouw bij te nemen als de eerste onvruchtbaar blijkt, maar ja, hij had het voorbeeld van Abraham, die had het ook zo gedaan. En dan de spanningen tussen die twee, Hanna met haar verdriet, en Peninna met haar triomf. En dan lezen we van Elkana's machteloze pogingen om Hanna toch te bemoedigen, te troosten.
Eerst met een dubbel deel, daar wordt mee bedoeld een dubbel deel van de tienden die hij opzij had gelegd om één keer per jaar dat feest daar in Silo te gaan vieren, maar dat was olie op het vuur. Het veroorzaakte juist bij die bedevaartstochten naar Silo altijd reizen vol spanning, vol competitie, en Peninna's felle drift om Hanna te vernederen, ze tergde haar tot Hanna tenslotte nergens meer was en dan troostte Elkana haar. Hij zei heel lief tegen haar: "Maar ben ik je dan niet meer waard dan tien zonen?" Maar echt troosten deed het niet, het schoot erlangs heen, het zat dieper bij Hanna. En dat valt dan in de aandacht bij het derde deel van dit hoofdstuk. Dan valt als het ware alle licht op de persoon van Hanna. Wat gaat er in haar om, wat beleeft ze, en wat is daar zo bijzonder aan dat God deze vrouw uitkiest om voor heel Israël een nieuwe tijd te doen aanbreken? Dat zijn de vragen waarmee we dit deel lezen. En de kern, daarom de keus van de tekst, is ongetwijfeld dat gebed in de tempel. Eens, zo lezen we, nadat de hele familie te Silo gegeten en gedronken had, -het zal me de maaltijd wel geweest zijn met zo'n sfeer-, stond Hanna op en ging naar de tempel.
En daar voor het aangezicht van de Heer stort ze haar hart uit, haar hele hart, ze zegt Hem alles. En de hogepriester ziet haar, ziet haar mond bewegen en ziet hoe ze daar blijft zitten: ze lijkt wel dronken! Dat wordt vaker gedacht als mensen door de Geest van God worden aangevuurd. En hij zegt tegen haar: "Ga eerst je roes uitslapen!" Maar dan zegt zij: "Ik ben een diep bedroefde vrouw, en ik heb mijn hart uitgestort voor de Here." En ze zegt dit met grote waardigheid: "Houdt uw dienstmaagd niet voor een nietswaardige, ik ben alleen maar door grote zorg en smart gekweld." Wat hier opvalt is natuurlijk in de eerste plaats dat bijzondere woord -waarom we ook psalm 62 hebben gezongen-: Je hart uitstorten voor het aangezicht van God. Dat is niet zo maar een gewoon gebed, een tafelgebed of een avondgebed, nee het is echt met alles wat je denkt en voelt voor de Here komen. Dat woord "storten" doet aan water denken, zo iets als een dijkdoorbraak, zo overspoelt Hanna de Here met alles wat in haar leeft. En toen Eli dat begreep heeft het hem een soort heilig besef gegeven. Zoiets van: Als iemand dat doet, dan blijft dat niet onverhoord!
En met het gezag van zijn hogepriesterschap, waartoe hij zich soms ineens verhief, zegt hij tegen haar: "Maar dan geeft God je ook waar je om gebeden hebt." Hij geeft dus die belofte. Er zit een tweede aspect aan dat gebed van Hanna, dat is ook heel bijzonder. Het staat er vlak voor, in vers 11. Als ze zo haar hart uitstort voor de Here, dan vindt er, terwijl ze dat doet, een verdieping plaats, want ze zegt: "Heer, als U dan werkelijk naar de ellende van Uw dienstmaagd omziet en mij gedenkt en me een zoon geeft, dan sta ik hem af, dan is hij voor U, en voor U alleen." Hier raken we volgens mij de diepste kern. Terwijl Hanna bidt, beseft ze ineens haar werkelijke nood. Dat er onder haar verdriet een ander verdriet zit. En dat is zoiets van: "Ja, waar dient mijn leven nu voor?" Iets van: "Ik voel me verloren, wat draag ik nu bij aan het werk van U in deze wereld?" Nu moet u niet vergeten dat die bijdrage in het oude testament, in het oude verbond, voor vrouwen voornamelijk en vooral gezien werd in het baren van kinderen voor de komende generatie waar de Messias uit geboren zou worden. Daarom zonen: via het volgende geslacht brengt God zijn Rijk. Die gedachte zat er in gebakken.
Geen kinderen betekende dus: Niets bijdragen aan het Koninkrijk van God, geen waarde hebben voor Hem! En daar ligt Hanna's diepste verdriet. En om dat aan God heel duidelijk te maken zegt ze: "Heer, het gaat me niet om mezelf, dat denkt Elkana misschien wel, maar hoe lief hij ook is, dit begrijpt hij niet. Het gaat me niet om mijzelf, het gaat me om U, om Uw werk, om Uw belofte aan Abraham gegeven en via Israël aan heel de volkerenwereld, dat werk waarmee U beloofd hebt de mensheid te verlossen van de zonde, van hun schuld en van de dood. Daarom gaat het me. En als bewijs dat het me echt daarom gaat: Geef me een zoon voor dat doel, en ik I Samuel 1 - 7 geef hem voor z'n hele leven aan U terug. Hij zij U alleen toegewijd." Ze zegt eigenlijk: "Mijn eenzaamheid mag eventueel nog groter worden dan nu, als Uw zaak maar wordt gediend, als ik met mijn leven maar een steentje, een bouwsteentje, mag bijdragen aan Uw komende Koninkrijk!" Dat vind ik nu de kern van het gebed van Hanna. Ze stoot hier in haar gebed door naar de eigenlijke nood onder de nood. Er zit een nood onder uw nood.
Er zit een bovenkant aan ons verdriet, daar botsen we altijd tegen op, maar er zit ook een onderkant onder onze onmacht, onder onze pijn en eenzaamheid, of onder die leegte of radeloosheid waar we aan lijden, en daar stoot je alleen toe door als je je hart uitstort voor de Here. Ik denk dat het eigenlijk toch altijd zo is, dat wij het gevoel hebben dat ons leven de moeite niet waard is. Het is niet de moeite waard, voor de mensen niet en voor God niet. Dat wat Hanna zegt: "Ik ben geen nietswaardige", dat gevoel is het. Waar dient mijn leven nu voor? Waar heeft het voor gediend en waar zal het voor dienen? Ik ben onvruchtbaar voor het Koninkrijk. Dat is eigenlijk de diepste nood. De nood onder onze nood. En die nood heeft altijd de kleuren van het messiaanse lijden. Jezus die dat uitriep tot God: "Mijn God waarom hebt U Mij verlaten?" En met die nood kwam dan God. God kwam in actie en ging handelen. En dat leidt me tot het laatste punt. Er is een nood onder onze nood, zei ik. Maar er is ook een vreugde boven onze vreugde. Dat lezen we aan het slot, bij de geboorte van Samuël, en het loflied van Hanna. Als Hanna naar huis gaat, verhoort de Here haar gebed.
Elkana komt tot haar, heeft gemeenschap met haar: "en de Here gedenkt haar". Dat vind ik mooi gezegd. De mens verwekt, maar God opent toch uiteindelijk de moederschoot. Dat is bijbels gezegd. Het is niet zo: Wij maken kinderen. Dat blijft natuurlijk, inclusief het handelen van de mens, het handelen van God. Hanna zoogt haar kind, dat duurde meestal zo tot 3 á 4 jaar. En dan gaat ze met hem naar de tempel. En ze wijdt hem voor z'n verdere leven geheel toe aan de dienst van God. En dit wordt de profeet die Israël uit de Richterentijd wegleidt en heenvoert naar messiaanse tijden. We lezen en zien dat in het slot van Hanna's loflied. Het is eigenlijk de proef op de som, want daar zien we opnieuw wat we daarnet al tussen de regels door lazen in hoofdstuk 1. We zien daar opnieuw, nu voor het laatst, in het hart van deze vrouw. Wat haar bewoog, en waarom zij een scharnier werd in het heilshandelen van God. Als zij haar diepe vreugde uitzingt over de geboorte van haar zoon, dan lees je nauwelijks over hoe blij ze is met dat kind en wat dat haar al voor een stuk levensvervulling gegeven heeft, nee, dan stoot ze door naar een vreugde boven haar vreugde.
En dat is dat nu iets van God gebleken is. Zoals er een nood is onder onze nood, zo is er een vreugde boven onze vreugde. "Mijn hart juicht in de Here", zegt ze, "want Hij is mijn rots. Fantastisch dat ik een zoon heb gekregen, maar mijn diepste vreugde is dit dat nu gebleken is dat God echt leeft, en dat Hij een God is die eigenlijk altijd weer al onze waarden omkeert." Want dat is toch de kern van dit loflied van Hanna. God is een God die al onze waarden omkeert. Hij heft de arme omhoog en Hij drukt de rijke neer. Hij geeft de onvruchtbare zonen, zeven zonen, maar wie rijk is aan kinderen verwelkt. Hij is de God die soeverein over heel het leven beschikt en op het beslissende moment precies omgekeerd handelt als wij denken. Namelijk in ontfermende liefde. Helden, de bogen van helden, verbreekt Hij, en de wankelenden schraagt Hij. En Hij doet dat door zijn Gezalfde, waar het hoofdstuk op uitmondt. Nu kunt u begrijpen waarom ik hier in één adem de apostel Paulus bij las. Hij zegt: Dit is nu onze schat: de kennis van Christus. God heeft het doen schijnen in onze harten om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Christus.
Dat God zo is als Hij was. Maar de apostel zegt ook: We hebben deze schat in aarden vaten, we zijn allemaal Hanna's. In alles onder de druk, maar niet in het nauw! Om raad verlegen, maar niet radeloos! Vervolgd, maar niet verlaten! Ter aarde geworpen, maar niet verloren. Ten alle tijde het sterven van Jezus in ons omdragende, maar opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt. Dat is wat Hanna, al eeuwen voor Jezus' komst, in zich droeg. Waarom zij ook zo'n aparte plaats krijgt in de bijbel. Waarom God haar gebruikte. Hier is het antwoord op de vraag waarom God nu zo' vrouw, daar en toen, gebruikte als instrument. Letterlijk om Samuël voort te brengen en zo de hoorn van zijn Gezalfde te verhogen. En de vraag waarmee ik eindig is: Maar geldt dat nu alleen voor Hanna? Is deze geschiedenis ons nu gegeven om naar te kijken en desnoods op een voetstuk te zetten, als een groots monument en dan zeggen: prachtig, maar natuurlijk te hoog gegrepen voor mij!? Precies het omgekeerde is waar. Want de boodschap van dit hoofdstuk is: God wacht, ook vandaag, op u, op ieder van u en van jullie. Omdat Hij mensen zoekt, die Hij wil gebruiken bij de bouw van zijn Koninkrijk!
Mensen die zeggen: Daar ga ik voor, om zijn Messiaanse Rijk een klein beetje meer naderbij te brengen. Weg van de leegte van onze tijd naar deze vervulling! Weg van de "verwoestijning", zoals het wel genoemd wordt, van de negentiger jaren, naar een zinvolle inzet voor het beloofde land. Weg van teleurstelling naar verwondering. Weg van ontmoediging naar bevestiging. Ja, daar is Jezus nu naar op weg, nog veel sterker dan in het oude verbond. Op die weg schakelt Hij u, jou, ieder van ons in. Er zijn bij God geen onbetekenende mensen. En op die weg schakelt Hij mensen in met een leefprobleem. Misschien nooit aan gedacht, maar dat vind ik één van de meest verbluffende dingen! Mensen met een leefprobleem, die schakelt Hij in! Zeg nooit: Ja, maar ik zit in een persoonlijke levenstragedie, en ik ben dus voor God volkomen onbruikbaar. Kijk dan naar Hanna. Zij ging in haar gebrokenheid tot God. En ik denk dat ze drie dingen deed, die ik wil meegeven aan het slot, ten voorbeeld voor ons. I Samuel 1 - 7 Het eerste wat we gezien hebben, psalm 62: Stort uw hart uit voor de Here! Dat deed Hanna. Dat werd een scharnier. Waarlijk mijn ziel, zegt psalm 62, keer u stil tot God.
En als ze dat doet, en dat is het tweede, dan stoot ze door naar de nood onder haar nood. Onder ieder 'buitenkantverdriet' zit een 'onderkantverdriet'. En dat 'onderkantverdriet', daar is Jezus voor gekomen. Daar raakt Hij ons aan. Daar raakt Hij u aan, daar raakt Hij jou aan. Daar laat Hanna zich ook aanraken, wat het ook is. Eenzaamheid, leegte, schuld, angst, gevoel van zinloosheid, waardeloosheid, laat je daar aanraken! En in die diepte wil Jezus je aanraken en bevrijden en.... gebruiken! Dat is het derde. Laat je dan ook, in de derde plaats, als Hanna, in jouw gebrokenheid gebruiken voor God. Zeg tegen Hem, zoals Hanna dat deed: Heer als U me hierin wilt gebruiken, dan wil ik zelfs nog wel dieper lijden. Want dat proef ik bij Hanna. Dan wil ik zelfs nog wel dieper lijden, dan ben ik zelfs bereid om te sterven voor U. Ze zegt: "Mijn zoon die hieruit geboren wordt die is vanaf de aanvang van zijn leven voor U." Dat is denk ik, wat de bijbel bedoelt, de heiliging van het leven achter Christus aan. Sterven met Christus, om dan ook met Hem op te staan. Want dan komen de krachten vrij van de opstanding! Dat is de messiaanse weg.
De messiaanse weg, die eens is geopend, eens buiten ons, voor ons, zonder ons. Eens en voorgoed is die geopend. Maar die nu alleen hier en nu oplicht met ons en door ons in ons. Zo heeft God het bedoeld. Laat u dan als levende stenen gebruiken bij de bouw van een geestelijk huis, door Jezus Christus onze Heer. Amen.