Bijbeltekst: 1 Samuël 2: 17, 21b — Uit de serie: I Samuël, deel 2

Gemeente van Christus, "Van verval tot reformatie", dat zou je eigenlijk kunnen zetten boven deze hoofdstukken uit de eerste helft van het boek Samuël. Het is een overgangstijd. We zagen in hoofdstuk 1 dat het boek Samuël aanknoopt bij de Richterentijd. Het boek Richteren eindigt met: "Toen deed ieder wat goed was in eigen oog", en straks dan zien we de contouren voor ons van het Messiaanse koningschap. En daartussen staat deze overgangstijd. Daar leren we natuurlijk heel veel van. Wat gebeurt er nu als God het volk, zijn volk weer wegvoert uit een dal en heenvoert naar een nieuwe Messiaanse tijd? Ik denk dat dat ons ook heel veel leert. Wat is er nodig om van het één tot het ander te komen? Hoe komen we uit het dal? Want in een bepaald opzicht kun je onze tijd, buiten maar ook binnen de gemeente, vergelijken met een dal, met een laagte. Buiten de gemeente, waar ik straks op inga, de collectieve onverschilligheid, de geestelijke leegte, en binnen de gemeente vaak de ontmoediging en niet ook moreel verval? Hoe komen we uit dat dal weer heen naar die hoge heirbaan van het leven door de Geest?

Noem het als je Gereformeerd bent een reformatie, noem het als je Evangelisch bent een opwekking. Hoe komen we daar? We lezen deze weken door Samuël heen en we gaan stap voor stap. Iedere keer ontdekken we weer een nieuw moment. Even terugblikkend naar vorige week: Stap 1: Dat was Hanna's gebed in de diepte. Alles gaat veranderen, ook voor Israël, als één vrouw met een leefprobleem voor het aangezicht van God doorstoot naar de nood onder haar nood. Dat zagen we vorige week. Dat persoonlijke gebed wordt keerpunt voor heel deze verdere ontwikkeling. Natuurlijk, je kunt zeggen: "Het is toch God die Hanna uitkiest?" Zeker, want je ziet steeds weer God aan het werk. Maar aan de menselijke kant staat wat de verantwoordelijkheid is van ons, willen we überhaupt door God gebruikt worden. En daar gaat het over in deze stappen. Dus het eerste was dat kernpunt uit hoofdstuk 1: "Mijn ziel keert zich stil tot God, van Hem is al mijn heil", zoals dat in psalm 62 staat. En dat doet Hanna in Samuël 1. Nu vandaag stap 2. Samuël 2, eigenlijk een pijnlijk hoofdstuk. We komen in aanraking met iets oneindig schrijnends. Het wordt geen I Samuel 1 - 7 leuke preek. Het oordeel begint bij het huis van God.

Dat zegt later de apostel Petrus. Dat komt omdat daar ook het verval inzet. Want hier komen de priesters Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, ter sprake. En hoe díe met het heilige omgingen. Zij waren de priesters, en er wordt ons tot in details verteld hoe zij daar eigenlijk speelden met het heilige. Als degenen die voorgangers zijn in het geloof zelf niet in de eerste plaats geloven wat ze zeggen, en niet helemaal zijn in wat ze uit het woord van God putten en doorgeven, ja dan wijkt de levende omgang met God en dan wordt het een spel, een ritueel. Moet je nagaan, deze priesters hebben met het volk gebeden, ze spraken de zegen uit, dat was het werk van de priester. Ze voltrokken de eredienst, met offerande en al, maar wat er intussen gebeurde wordt onbarmhartig in het licht gezet. Hun knecht stal het beste offervlees, en dat tegen alle regels in die God juist voor de offerdienst gegeven had! Ze verrijkten zichzelf van de gaven van het volk.

Zelfs vóór dat -wat moest- het vet tot eer van God als rook was opgestegen, haalden ze dat vlees dus al naar zich toe, dan kon er nog veel mee gebeuren: er kon handel mee worden gedreven, En als de mensen die het gaven zeiden: "Maar dat kun je toch niet maken, dat kan toch nooit een bevel zijn van de priester?" Dan antwoordden de priesters: "Als het niet goedschiks kan dan gaat het kwaadschiks!" Het directe gevolg was, zoals we al lazen, dat de mensen afhaakten. Ze keken er doorheen en zeiden: "Godsdienst, kijk maar naar de priesters, dat is misleiding! Je wordt door de priesters zoetgehouden met hoge beloften, beloften van de hemel en van troost voor de toekomst, maar intussen spekken ze hun eigen zak!" Ik denk dat dat op de één of andere manier, eigenlijk door alle tijden heen steeds meer zo gegaan is. Aan de ene kant kun je zeggen is daar ook - tot vandaag toe- dat grote onheil van de verachting van het offer, wat we lazen in de tekst, maar ze is altijd een gevolg van iets. Kijk, wat we hier lezen in die centrale tekst is dat, ten gevolge van het gedrag van die priesters, de mensen het offer van de Heer gingen verachten.

Wanneer je vandaag te maken hebt met de duizenden, misschien in ons land met miljoenen, die het evangelie de rug toe keren, gekeerd hebben in deze eeuw, dan kun je er niet om heen om te zeggen dat daar achter een stuk verachting ligt van het offer. En dat geldt ook voor onze gemeente, wie lid is maar wie niet of nooit meeviert en gemeenschap zoekt rond de tafel, rond het offer van Christus, daar zit een stuk minachting in voor de dienst aan God. Maar laten we wel weten: die minachting komt ergens vandaan, zegt de Schrift, die wordt door iets veroorzaakt. En hier in 1 Samuël 2 wijst de vinger zonder pardon terug naar de voorgangers. Corrupt priesterschap. Egoïstisch consumptief gedrag wat eigenlijk dan weer gelegitimeerd wordt door de positie die ze hebben en waardoor het heilige wordt misbruikt. DE priesters Hofni en Pinehas, ze namen uit wat goed smaakte en ze sliepen bij de poort met de vrouwen die dienst deden. En dat alles zonder enige diepe bewogenheid voor waarvoor ze stonden. Van binnen leeg, van buiten rituelen. En tenslotte met agressie: Geef op, anders komt er wat van.

Je zou in het algemeen hier kunnen zeggen dat als de voorgangers van het geloof, de leraren, vaders, dominees, politici, rechters, professoren, dat als daar niet een diep respect spreekt voor dat wat God hen gezegd en gegeven heeft, dan haakt de volgende generatie af. Die minacht het offer. Ik weet wel, er valt hier ook meer te zeggen want het is natuurlijk opvallend dat als je verder leest, in hoofdstuk 8 vers 3, dan wordt verteld dat ook de zonen van Samuël zelf afhaakten. De grote Samuël krijgt straks in zijn eigen gezin ook te maken met zonen die het offer van de Here geringschatten. Er zijn dus ook mensen die volledig Gods zaak zijn toegewijd en toch haken hun kinderen af. Ik denk dat die lawine van ongeloof die dan om hen heen is en die corruptie, die besmet soms onder de drempel van je deur door je eigen gezinnen. Wat moeten we daar nu aan doen? Dat is de hoofdzaak waar we het nu over hebben. Wat stellen wij hier nu tegenover? Het eerste wat opvalt in dit hoofdstuk 2 is hoe het niet moet. Ik denk dan aan de hier breeduit vertelde en uitgesponnen houding van Eli zelf. Eli die zelf ongetwijfeld een oprecht gelovige was.

Ik heb altijd een zwak voor Eli, niet in het minst -dat mag gek klinken- voor de manier waarop hij stierf. Want dat is toch zeer opvallend. Het wordt verteld in hoofdstuk 4, dat, als hij daar zit op zijn stoel en de slechte tijding krijgt dat zijn beide zonen zijn omgekomen, dan siddert hij, maar als gezegd wordt dat de ark van de Here is buitgemaakt dan slaat hij achterover en breekt zijn nek. Dat heeft op mij altijd grote indruk gemaakt. Dan denk ik: Daar zat toch ergens ook wel het hart van Eli. En toch wordt Eli hier in dit hoofdstuk breed besproken als een man die een stijl van omgang heeft ontwikkeld zoals het niet moet. Wat doet Eli dan verkeerd? Want lees maar in vers 22 tot 25: hij spreekt toch z'n zonen toe en hij spreekt ze vrij direct toe. Hij zegt: "Pas op, mijn zonen, je zondigt tegen God en je brengt bovendien nog het volk tot overtreding!" Dus duidelijker kan het niet.

Hij zegt: "Als je tegen mensen zondigt heb je tenminste nog God die voor je kan intreden, maar als je tegen God zondigt, dan sta je regelrecht voor Hem." Maar toch lezen we dat later, als je verder leest in hoofdstuk 3: 13, als de Heer Zelf en boodschap heeft voor Eli, dat de Heer dan Zelf zegt: "Ik heb Eli te kennen gegeven dat Ik over zijn huis voor altijd gericht zal oefenen, om de ongerechtigheid waarvan hij geweten heeft, immers, zijn zonen brachten een vloek over hem en hij heeft hen niet eens berispt!" Het lijkt elkaar tegen te spreken. In hoofdstuk 2 berispt hij zijn zonen. Ik kom daar zo nog op terug, want dat berispen betekent niet in de eerste plaats met woorden berispen, dat betekent tucht oefenen. Dat staat er eigenlijk. Maar hier, als je dit gedeelte over Eli echt goed leest vers 21 -25, dan zegt Eli wel de goede dingen, maar het staat I Samuel 1 - 7 allemaal in de toonaard van: wat ik toch van jullie moet horen. Vers 21, 23 en 25. Als je het erbij neemt dan staat er in vers 22 dat hij hoorde wat zijn zonen Israël al niet aandeden: ze sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tabernakel.

Dan zei hij tot hen: "Waarom doen jullie dergelijke dingen?" En dan: "Dat ik het hele volk over die wandaden hoor spreken!" Weer dat hele volk wat hem dwarszit als hij over die wandaden spreekt. En dan ten derde zegt hij: "Dit gaat niet mijn zonen, het is geen goed gerucht wat ik over u hoor!" Als dit steeds weer terugkomt: ik hoor; wat een kwaad gerucht; wat moet ik van jullie horen; het hele volk spreekt er over, dan krijg je toch het gevoel dat Eli in de eerste plaats getroffen was door wat de mensen er van zeggen. Wat zegt het volk er niet allemaal van? En dan ligt er iets in die vraag, moet je proeven: Maar waarom doen jullie dit nu toch mijn zonen? Proef je wat daar in zit? In dat waarom zit zeker teleurstelling over zijn zonen, en tegelijkertijd zit er verwijt in: Dit kan zo niet! En er zit ook verontwaardiging in: Hoe is het in de wereld mogelijk? Maar in dit alles vind ik toch dat Eli wel wat erg bij zichzelf blijft hangen in de kritiek. Hij komt met zijn verontwaardiging, zijn teleurstelling, zijn frustratie. Als ik het iets verder doortrek dan hier staat dan zegt hij: "Arme ik, dat ik toch zulke kinderen heb".

Dat zit er ook in, in Eli's hele houding zit iets van: "Wat zullen de mensen er wel niet van zeggen", echte verburgerlijkte kritiek is dat. En aan de andere kant: "Arme ik, dat ik toch zulke kinderen moet hebben!" Maar dan kom je bij je kinderen met jezelf aandragen en dat zijn de twee punten waarom ik denk dat de Here God Zelf later zegt: "En hij heeft zijn zonen niet eens berispt." En daarmee heeft Hij bedoeld wat ik al zei: Kijk, wat hij niet heeft gedaan is in een soort van heilige verontwaardiging op een gegeven moment zeggen: "En dit kan niet voor het aangezicht van God!" Zoiets heeft Eli niet gezegd. En daar komt natuurlijk bij dat Eli hier niet alleen naar voren treedt en optreedt als vader van zijn kinderen, er is hier meer aan de hand, hij is hogepriester die verantwoordelijkheid draagt voor de heiligheid in de dienst van God! En ik denk dat als de Here later zegt: "En toch heeft hij geen tucht geoefend", dat Hij dan hierop gewezen heeft: In je ambt van hogepriester ben je niet gekomen met heilige verontwaardiging, en daarna een God-welgevallige actie! Dat is er niet geweest. En ik denk dat dit hoofdstuk daarom Eli als een waarschuwend voorbeeld ons voor ogen houdt.

Als hogepriester had Eli meer moeten doen, hij had moeten opkomen voor de heiligheid van God. De heiligheid van God hoog moeten houden. Ligt daar eigenlijk niet de kern van dit hele hoofdstuk? God kan en zal nooit verdragen wat hier gebeurt. Wat hier gebeurt onder een gelovig waas met heilige rituelen, verbergt seksueel los gedrag: ze sliepen met de vrouwen in de poort; en dienst aan de Mammon: consumptief gedrag wat nergens op leek. Je verrijken met een vroom gezicht. Wie in een kerk tot echte opwekking wil komen, en ik denk dat dat universeel voor alle tijden geldt, die zal altijd door deze nauwe tunnel heen moeten van deze morele keuzes. Dat is eigenlijk de kern van dit hoofdstuk: morele keuzes. In het nieuwe testament staat: Doe dan alle oude zuurdesem van deze wereld uit uw midden weg. Paulus zegt: "Christus is opgestaan, Hij is het paaslam, Hem vieren we met ongezuurde broden, dat wil zeggen: -nu komt de toepassing- alle zuurdesem van slechtheid en boosheid moet uit de gemeente verdwijnen. Als die blijven, kruipen ze naar binnen en waar leiden ze toe? Anderen kijken erdoor heen en gaan de dienst van God verachten.

Dat betekent: geen dienst aan de Mammon juist binnen het heiligdom. Geen dienst aan de Mammon, dat is een keihard woord. En het betekent in de tweede plaats: geen seksualiteit dan binnen een levenslang trouwverbond. Dat is ook een 'hot item' vandaag. Een levenslang trouwverbond, en dat in het huwelijk. Nu, dat zijn van die bijbelse grondregels die zo'n hoofdstuk eigenlijk naar boven haalt. En natuurlijk, morele keuzes worden toch altijd geboren vanuit de houding van een toewijding vanuit het hart: Neem mijn leven, mijn lichaam, mijn geld, mijn goed, neem het en laat het toegewijd zijn aan Uw eer. En op de achtergrond, en dat is in dit hoofdstuk heel duidelijk zichtbaar, die heiligheid voor God, waarvan wij toch eigenlijk zijn vervreemd. Als het u vergaat zoals mij, dan schrik je van dit hoofdstuk. Ik schrik als ik lees: want God wilde hen doden! Dat staat er. En: Wie Mij eren zal Ik eren, maar wie Mij versmaden zal Ik versmaden! Dan schrikken wij! Dat past toch helemaal niet bij ons beeld van God? Omdat wij in ons beeld van God geen besef meer hebben van de heiligheid van God! Er zijn dingen die voor Hem niet kunnen en niet mogen bestaan.

En dan denk ik heus niet -dat zou een misverstand zijn- aan 'vals determinisme' of 'God had toch al het plan om hen te doden', nee, God doodt niemand vanuit Zichzelf, maar het is wel zo dat als mensen tot op de bodem tegen hem kiezen er geen leven voor zijn aangezicht mogelijk is en Hij dat ook doet, dan stelt Hij daar een daad, dan snijdt Hij dat af. En ik denk hier op de achtergrond eigenlijk iets wordt aangeraakt wat voor ons allemaal van groot belang is: besef krijgen van de heiligheid van God. Waar Gods heiligheid uit het gezicht verdwijnt daar komt het oordeel. Het begint bij het huis van God. We krijgen er hier een hele levendige beschrijving van wat in het tweede deel van dit hoofdstuk wordt beschreven: hoe Eli daar de profeet op bezoek krijgt en die zegt het hem aan. Hij zegt: "Eli, jij en jouw huis waren verkoren tot het priesterschap, maar nu wordt het aan jou ontnomen.

En je zonen Hofni en Pinehas zullen op één dag sterven, er zal in jouw huis geen oude man meer voorkomen." Dat vond ik eigenlijk wel heel aardig, want dat betekent dat als er oude mensen voorkomen in een geslacht dat dat een zegen van God is: dus onze samenleving, met steeds meer mensen boven de vijfenzestig. Als er géén ouderdom I Samuel 1 - 7 meer voorkomt dat is een gericht van God, staat hier. God oefent het gericht zo ten volle over het huis van Eli. Het priesterschap wordt hem ontnomen, het wordt aan een ander gegeven, en die ander zal grote naam maken voor het oog van God. Ik ga nu wat nader op die hoofdzaak in. Wat had Eli nu moeten doen? Ik zei al, in zijn positie als hogepriester had hij tucht moeten oefenen. Ik denk hier inderdaad regelrecht zijn zonen dit ambt ontnemen. Dat had hij moeten doen. Hij had een diepe sloot moeten graven tussen de heiligheid hier van de gemeente en het morele kwaad daar. Hoe doen wij dat nu vandaag? Ik heb daar de hele week mee zitten worstelen. Nu, punt 1: ik denk echt dat wij te veel op de softe toer zitten à la Eli. Wij zijn wel heel erg pastoraal, maar wij zijn heel weinig profetisch.

Dat de gemeenten de keurtroepen van God zijn, en dat de wereld daarnaar kijkt en daaraan de heiligheid en de liefde en het karakter van God afmeet, dat zijn hoge dingen, die we opnieuw moeten gaan beseffen. En ik voor mij, ik zou niet terug kunnen naar die ouderwetse tuchtoefening. Ik heb het woord tucht nu al een paar keer laten vallen. En in de gereformeerde traditie waren daarvoor bepaalde wegen, je had er formulieren voor, je hebt een eerste trap, een tweede trap en een derde trap, het begint bij het afhouden van het Avondmaal, en het eindigt bij de ban. Maar ik heb dan altijd in herinnering de ruzieachtige debatten, al direct bij de eerste stap, en de grote misstanden die er waren. Sommigen moesten als het ging om een publiek kwaad, publiek schuldbelijden. Al die dingen hebben een hoop kwaad gedaan en ze hebben het wapen van de kerkelijke tucht wat een zwaard moest zijn, eigenlijk bot gemaakt, tot een keukenschilmesje gedegradeerd. Wat moeten wij nu? Één ding moeten we van Godswege vermijden en dat is: worden als Eli. Want dit hoofdstuk is tot onze waarschuwing geschreven. En we zitten er soms dichtbij. Eli dacht: maar wat zouden de mensen er niet allemaal van denken!

En Eli kwam naar zijn kinderen toe met zijn eigen frustraties. En toen ging hij op de softe toer: jongens jongens, waarom, waarom? Nu, ik denk dat wij toch weer scherper moeten leren snijden met dat woord van God en met diep besef van heiligheid. Maar eerlijk, ik weet niet precies hoe! Ik denk met een heel open vizier, dat wil zeggen zelf op de eerste plaats uitermate kwetsbaar, want dat zwaard gaat eerst door jezelf heen, het moet eerst in mijn leven schiften. De oude mens en de nieuwe mens. Ik wil niet terug naar dat botte keukenschilmesje. Dat kan niet. En ik zou wel willen dat de Avondmaalstafel altijd open blijft staan voor tollenaren en zondaren, maar als er iemand komt die dan naar jouw mening fout zit, dan ga je wel naar hem toe, achteraf. Dat laten we niet lopen. En dat hoeft dan niet een ouderling altijd speciaal te doen, dat doet iedereen hier. Als je iemand hier ziet aangaan waarvan je denkt: maar bij die heiligheid van het offer van Christus past toch niet die levensstijl, dan ga je er naar toe, de tuchtoefening is eigenlijk een gezamenlijk iets van de gemeente, zo bannen we het kwaad uit ons midden.

En dat kun je natuurlijk alleen doen als het eerst door je eigen hart is gegaan. Als je eerst zelf integere keuzes hebt gemaakt voor het aangezicht van God. Ik denk dat hier een heel belangrijk onderdeel ligt van die weg vanuit de diepte van verval naar de hoogte van Gods heil. Ik denk dat bij ons te veel en te vaak gezegd wordt: jongens jongens, waarom doe je toch dit, waarom minacht je toch het offer van de Here, waarom dien je de mammon? Dat denken we toch heel vaak. Waarom spelen dingen van materieel welzijn, een nog grotere auto, een beter inkomen, je carrière, toch altijd een rol boven je werkelijke toewijding aan Christus? En waarom is er los leven 'loose living' zoals de Engelsen zeggen, op het gebied van seksualiteit, want dat is er, in de gemeente. En dat zijn dingen daar moeten keuzes gemaakt worden. Eerst ikzelf, en vandaar uit, en dat geldt voor ieder van u, ieder eerst bij zichzelf, daar moet dat Woord eerst schiften en uiteen trekken en vernieuwen, en dan ook integer en kwetsbaar naar elkaar toe. En ik denk steeds weer met als kern de heiligheid van God. Beseffen dat God een heilig God is.

En met dat besef iets krijgen van het snijdende, van: dit kan absoluut niet voor het aangezicht van God! Dat moeten we kunnen zeggen, durven zeggen op een bepaald moment. Dan snijden we niet in mensen, want mensen wil God altijd behouden, maar dan snijden we wel in het kwaad dat zo diep in de gemeente is doorgedrongen. We snijden 'Godloos' gedrag eruit. En dat met het zwaard van de Geest. En hoe dat precies moet weet ik niet, ik weet één ding: niet zoals Eli, maar wel bewogen door de heiligheid van God. En ik denk dat we dat keukenmesje nooit kunnen vervangen door het zwaard van de Geest als we niet eerst zelf diep bewogen zijn over de heiligheid van God, en daarmee eerst snijden in eigen vlees. Dit was eigenlijk het middengedeelte van m'n preek. Nog niet het slot, want ik heb eigenlijk het belangrijkste overgeslagen. Ik weet niet of u het gemerkt hebt, ik ben dit hoofdstuk doorgelopen maar na het begin ben ik doorgegaan met die profetie, ik heb een heel groot stuk overgeslagen, een schitterend gedeelte: vers 18 - 22: "Samuël nu diende voor het aangezicht des Heren en Hanna kwam ieder jaar met een kleine mantel.

En God zegende haar met nog vijf kinderen", en dan staat er dat bijzondere woord: "En de jonge Samuël nu groeide intussen op bij de Here". Dat vind ik prachtig. Het bijzondere hiervan vind ik het contrast. De zonen van Eli 'hoeren en zwelgen' om het grof te zeggen, maar intussen, in precies datzelfde klimaat, in precies dezelfde tempel, groeit Samuël op bij de Here. Dat vind ik een schitterend contrast. Het laat zien dat de Heer intussen al werkt aan een nieuwe lijn. Dit is eigenlijk de nieuwe loot die God al heeft aangezet en nu aan het opkweken is. Een spruit, een nieuwe loot, een nieuw begin. Het is daar al aan het beginnen, midden in de jungle van onheilige verwording. Daar is Samuël en daar komt Hanna met I Samuel 1 - 7 haar attente zorg, dat laat weer zien dat grote dingen voor God niet bestaan uit geweldige heldendaden. Er wordt verteld over die mantel, ieder jaar weer een nieuwe want Samuël groeide er natuurlijk steeds weer uit. Dat dat kleine ook verteld wordt, zodat wij ook oog hebben voor juist datgene wat mensen doen in het hele kleine en gewone, dat dat groot is voor de Heer.

En Eli is daarbij, hij onderwijst Samuël en hij is daarbij met zijn zegen, Eli komt er bepaald niet alleen slecht af, hij is toch ook een zegenrijke figuur in die situatie. En zo zie ik in die situatie rond Samuël toch een stukje evangelie te midden van gericht. Het is alsof de schrijver wil zeggen: Heus, God bewaart Zijn volk en Hij gaat verder met Zijn volk, en Hij heeft hier Zijn toekomstige leiders al verweekt, terwijl de generatie van Hofni en Pinehas nog zit te tobben in moreel verval. En mensen wegblijven. Het nieuwe begin is in knopvorm al aanwezig. En ik las bij J. Koopmans, de dominee die in de oorlog zo ongelukkig is omgekomen, die een veelbelovende pastor en theoloog was, die zei bij deze passage: God laat de band tussen hemel en wereld niet doorsnijden. Niet door Hofni en Pinehas, niet door -en dan dacht hij terug aan de kerkgeschiedenis- de verwereldlijkte clerus in de Middeleeuwen, waarop natuurlijk daarna het Marxistisch atheïsme is gekomen. Was het niet Marx, die zei: godsdienst is opium voor het volk? Hij verachtte het offer des Heren met miljoenen achter hem aan.

En toch zegt Koopmans: De band tussen hemel en wereld laat God niet doorsnijden, noch door militant atheïsme, noch door modernisme en paganisme: er blijft een rest. Zevenduizend die de knie voor Baäl niet buigen. 144.000 naar Gods verkiezing. En die gaat God weer inzetten om opnieuw allen te bereiken, want z'n hart gaat naar allen uit. Verkiezend is Hij bezig. Ik vind het een prachtig hoofdstuk dat laat zien wat nu echt 'verkiezing' is. God verkiest Samuël, eerst Hanna, dan Samuël, Hij is verkiezend bezig om weer een nieuwe loot te laten opkomen en vandaar uit weer een nieuwe zegen te verbreiden aan heel Israël, en door Israël naar de volkeren. Zo is God continu aan het werk, maar het gaat soms door diepten. Want nieuwe spruiten komen pas eerst als bossen gekapt zijn. Ik ga samenvatten. De tweede stap op de weg van verval tot reformatie.] We zijn in dit hoofdstuk getroffen door de druk en de diepte van het kwaad, hoe dat inwoekert tot midden in het heiligdom en vandaar uit overal zo diep invreet, dat, terwijl voorgangers het heilige misbruiken, kinderen het heilige gaan verachten. Treurig is dat. In de minachting voor het offer wordt geoogst wat jaren is gezaaid.

Hoe in de wereld kan het ooit weer goed komen? De Schrift leert ons hier: God laat ons op deze weg niet alleen. Hij is de God die vernedert en verhoogt. Daar horen we Hanna: Hij vernedert en verhoogt. Terwijl Hij aan de ene kant als een chirurg snijdt, -een chirurg, dus tot welzijn van de patiënt-, en wegsnijdt, of om een ander beeld te gebruiken: terwijl Hij als een houthakker kapt, boom na boom: daar gaat het geslacht van Eli, maar terwijl Hij dat doet is Hij met Zijn andere hand al bezig om nieuwe loten te planten: Samuël groeide op bij de Here. Zo zet God zijn doel door. Straks mondt Hij uit bij David en bij de Messias. En wat ons betreft? Wij zeggen ten antwoord: Heer, help ons om niet te zijn als Eli, maar schep in ons een houding, zoals die ook in Jezus Christus was. Waar we die totale eenheid zien van heiligheid en liefde. Genade èn waarheid. Jezus zei: Liever kap Ik m'n hand af, dan dat Ik er door tot zonde wordt verleid. Jezus die afgodendienaars verdreef uit de tempel, weg uit het heiligdom van God, maar die voor kwetsbare bomen ons leerde bidden: Heer, geef ze nog één jaar. Amen.