Gemeente van Christus, Toen ik jaren geleden over dit gedeelte van Samuël preekte, had ik zo'n oude koffiemolen meegenomen, misschien herinneren sommigen zich dat nog. Ik had zo'n ouderwets ding met zo'n knop waar je mee moest draaien, en als je I Samuel 1 - 7 daar koffiebonen in deed, kwam er keurig gemalen koffie uit en je kon daar lekkere koffie van drinken, dan werkte dat ding. Ik gebruikte dat als een voorbeeld voor de menselijke geest. Want als je nu grind in zo'n koffiemolen doet, en je gaat dan draaien, dan hoor je een gekraak, en als je door zou draaien dan werkt het mechanisme niet meer en je vernielt het zelfs. Dat noemde ik als een voorbeeld. Als je nu datgene wilt waar we ons vanmorgen op concentreren: de kunst van het luisteren, en je vergelijkt de menselijke geest voor een moment met zo'n koffiemolen, en je voedt die menselijke geest niet met het goede materiaal, maar bij wijze van spreken met grind zoals in het voorbeeld? Je bent dus de hele dag bezig, en wat laat je toe in je menselijke geest? Een half uurtje kranten, Libelle, Viva en wat er nog meer mag wezen, dat gaat er allemaal in.
En dan komen er een hele boel wirwargesprekken over dit en dat, dan komt er eens een uurtje televisie, de een of andere show. Zo gaat het de hele dag maar door, allemaal pulp in die geest. En tenslotte werkt die menselijke geest niet meer, die leert het luisteren af! Omdat die geest niet gevoed wordt met de goede woorden. Er moet dus iedere dag een moment zijn dat wij onze geest voeden met de woorden van God, en om dat goed te doen, daarvoor hebben we de kunst van het luisteren nodig. Vanmorgen gaan we in dat tweede deel van Samuël 3 nog eens in detail na wat dat betekent, en hopen dat we daardoor ook daadwerkelijk die woorden van God dieper tot ons laten doordringen, zodat onze geest het verwerkt, zodat we zelf een profetische gemeente worden. Want dit hele hoofdstuk gaat niet alleen over Samuël, zoveel honderden, duizenden jaren geleden, hier komen wij ter sprake. Ik begin met een detail, een kernwoord. Eén kernwoord in Samuël 3 is: nog niet. Het staat er een paar keer op een wezenlijk moment. In het begin staat er in vers 3: Nog was de lamp van God niet uitgegaan. En dan staat in vers 7 weer: En Samuël kende de Here nog niet.
Nog niet was de oude lamp uitgegaan, en nog niet was de nieuwe lamp aangestoken. Want die lamp Gods, het zal ook letterlijk misschien een lamp geweest zijn in de tempel, maar daar op dat moment, na de woorden over Eli, slaat dat natuurlijk op Eli, die oud was, maar toch nog, laten we zeggen, een waakvlam in het huis van God was. Nog was de lamp niet uitgegaan. En tegelijkertijd: Samuël was nog niet ontbrand. Tussen twee tijden in. Het tweede wat opvalt staat in het opschrift boven dit hoofdstuk, want vers 1 is eigenlijk het opschrift en in vers 2 begint het verhaal. Nadat gezegd is: de kleine Samuël hielp Eli in de dienst in de tempel, dan staat er: Maar toen in die tijd was het woord van de Here schaars. En dan staat er direct een verklaring bij: gezichten braken niet door. Dat staat er eigenlijk. Dat detail wil ik eens even boven water halen, het geeft een goed antwoord op wat het betekent dat het woord van de Here schaars is omdat gezichten niet doorbraken. Er staat eigenlijk in de oorspronkelijke betekenis van dat hebreeuwse woord: een bres slaan. In de NBG-vertaling staat: gezichten waren niet talrijk.
En inderdaad, als iets een bres slaat, dan maakt het zich daarna breed en wordt talrijk. En die betekenis hebben alle vertalers genomen. Maar Martin Buber, een joodse uitlegger van de bijbel zegt: In dit geval moet je nu eens even blijven vasthouden aan die grondbetekenis, die oerbetekenis, en dat is: zich een bres slaan, doorbreken. En dat heeft mij heel veel gezegd. Er staat dus eigenlijk in dit opschrift: Het woord van God was schaars in die tijd, verschijningen van de Here, zoals Hij sprekend optrad braken niet door. En dat is een tweede dieptepeiling van Samuëls tijd. God trok zich niet terug, maar zijn woorden braken niet door. Hij roept en Hij roept: we zien het voor ons in dit hoofdstuk. Er staat 4 keer: Hij roept en Hij ging voort met roepen, staat er in het hebreeuws, alsof de schrijver zegt: Hij ging maar voort met roepen, Lied 1: Hij roept maar steeds voort, maar bij mensen brak het niet door. Dat blijft het hoofdprobleem van Israël. Later zegt de profeet Jesaja, als hij de geschiedenis van Israël overziet, en wee ons als we er niet naar luisteren, dan zegt Jesaja, namens God: Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen.
De ganse dag breidde ik mijn armen uit naar een opstandig volk. De bijbel wil dus zeggen: God is te vinden voor wie Hem zoeken, voor wie hebben leren luisteren. Ook wij leven in zo'n tijd, waarin je toch wel mag zeggen dat de woorden van God schaars zijn. Want waar horen we nu echt nog een woord van God? Er fladderen duizenden woorden rond, of miljoenen, maar waar vind je nu echt een woord van God? Dat is schaars. Nu, het opschrift zegt: dat komt omdat zijn verschijning in zijn woord niet doorbreekt. En gelukkig dat andere sleutelwoord in 1 Samuël 3 zegt: nog niet doorbreekt. Nog is de oude vlam niet uit, nog is de nieuwe niet aan. We hebben dus in 1 Samuël 3 weer met zo'n keerpunt te maken. Een keerpunt tussen twee tijden. En waar wij voor moeten bidden, waar ik voor bid, dat is dat wij, u, jij, ik, wij allemaal, in 1994, in zo'n keerpunt betrokken mogen worden. Want we dreigen onder de golven van secularisatie, zoals het dan plechtig genoemd wordt, maar het is eigenlijk een vervreemding van God, we worden door die golf van ontkerkelijking overspoeld.
Maar zoals we zingen, gezongen hebben, en lezen in de bijbel: maar God is steeds dezelfde, en Hij, Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid, staat in de Hebreeënbrief. Aan Hem ligt het niet. Maar wij, zijn wij klaar en bereid Hem te horen, dat is toch de hoofdvraag als we deze geschiedenis van de roeping van Samuël lezen. Zijn we bereid om Hem dan toe te laten in ons leven, zodat God ons kan gebruiken. Ik zie in Samuël iets van mijn eigen gezicht, ik herken daarin ons gezicht. Hij doet het eigenlijk precies zoals wij het doen. Wanneer een stem, een woord van God, in de nederlandse taal, Samuël heeft het in het hebreeuws gehoord, een menselijke stem, wanneer die tot hem, tot ons komt, wat doen we? We ontwijken. Inderdaad, het opschrift boven 1 Samuël zegt: Er zit een I Samuel 1 - 7 dikke korst om ons hart, en het breekt niet door! Er hangt een sluier over onze ogen, en we zien het niet. En er zitten, dat kan ik ook wel zeggen, diepe onwilligheden in onze ziel, want we willen er niet aan. En die moeten allemaal overwonnen worden wil het woord van God echt doorbreken.
En we zullen zien, en dat is ook de bedoeling van de verbinding van dit hoofdstuk met de avondmaalsdienst, we zullen zien, dat van God uit, Hij tot het uiterste gaat. Want dat is het avondmaal: God is tot het uiterste gegaan. Zijn woord is brood geworden dat gebroken is. En gebroken brood, ja dat moet toch doorbreken bij de mensen. Maar daarvoor is veel nodig, en we zien eerst hoe dat gebeurt bij Samuël. We lezen dat in deze bekende roepingsgeschiedenis. Want het is een roepingsgeschiedenis. God riep, en Hij ging voort met roepen. Het lijkt hier samen te vallen met Samuël bekering. Het is tegelijk ook een bekeringsgeschiedenis. Want er staat bij: Samuël kende de Here nog niet. Ik denk dat dat heel vaak zo gebeurt bij in de kerk gelovig opgevoede kinderen, zoals Samuël. Ik denk dat het vaak zo is, dat pas als ze de roepstem van God aan hen gericht horen, dringt het tot hen door dat God maar niet een collectiviteit aanspreekt, een heel volk, een hele massa, één van de velen, maar dat God ook ieder van u, mij, ieder van ons persoonlijk op het oog heeft. En zij moeten leren het woord van God op te vangen als persoonlijk tot hen gericht, zoals Samuël dat moest leren.
Dat noemt 1 Samuël 3 het hoofdkenmerk van het kennen van de Here. Daar zit een dimensie extra in. Dat is niet maar met het hoofd veel van Hem weten, maar dat is: Zijn woord horen als iets dat op mij persoonlijk gericht is. Wanneer dat gaat gebeuren dan leren we de Here kennen. Dat is een omgangskennis. En dan gaat ook ons leven veranderen. Wat is daarvoor nodig? Eigenlijk iets heel eenvoudigs, ik heb het al een paar keer gezegd: kunnen luisteren. Maar dat allereenvoudigste blijkt vaak het allermoeilijkste. Let maar op Samuël, hij ligt op zijn bed, 12, misschien 14 jaar, wel dicht bij de ark, ook veelzeggend, met z'n verzoendeksel. En dan ineens, midden in de nacht, hoort hij een stem. En dat was nu het moment waarop God tot Samuël sprak. Op een unieke manier. Tot ons, tot u en mij spreekt Hij ook op een unieke manier, bij iedereen weer op een andere manier. Bij ons gaat het hier door het woord, dat is ons toevertrouwd. Dat dan levend wordt. En wat gebeurt er dan? Nu, die stem roept hem, zegt maar één ding: Samuël! Roept niet een waarheid uit of zet niet een stelling neer, vertelt niet een verhaal, nee, hij wordt geroepen. En wat doet Samuël dan?
Samuël schrijft dat wat God doet aan een mens toe. Hij denkt: 't Is Eli, dat kan niet anders. En dienstbereid loopt hij naar Eli toe en zegt: Kan ik u helpen? En dan helpt Eli hem, dat is die waakvlam. Dan helpt Eli hem te beseffen dat het de Here is die hem roept. Samuël maar denken dat het Eli was, maar 't was de Heer! Dat heeft me altijd als eerste getroffen. Aan mensen toeschrijven wat van God komt. Je kunt zeggen: zelfs de grootste theologen zijn er mee bezig, zelfs de grootste execheten bestuderen de bijbel van a tot z, en die hebben het dan over de theologie van Markus, en de theologie van Paulus, en van Luther, na de tijd van de bijbel, enzovoorts. Altijd maar aan mensen toeschrijven wat eigenlijk van God komt. Daar zit een stuk afweer achter. Het woord van God komt altijd als een menselijke stem. Sprak toen hebreeuws, vandaag zal het nederlands spreken tegen jullie, tegen u. En je denkt niet dat het God is. Daar dacht Samuël ook niet aan. En dan helpt Eli hem en zegt: het is de Here. Echt horen betekent in een preek, in een nachtgezicht, in een fijn gesprek, een lezing van de bijbel betekent: dat er uit horen. Zoveel weerstanden laten wegsmelten.
En, vooroordelen laten afbreken, dat moet je erbij zeggen, totdat je dat er uit hoort, Zijn stem aan ons gericht. Vaak is onder onze drukte een stille stem, die is daarachter altijd aan het woord om u en mij te roepen. Ik zei al, er is veel voor nodig, en ik houd me maar even aan Samuël. In heel eenvoudige bewoordingen leert Eli aan Samuël de basishouding. En die is: loslaten. Ga liggen, zegt hij. Je vooroordelen loslaten. "Zoiets kan toch niet?" "Ik niet, ik ben de moeite niet waard". "Zou God mij persoonlijk aanspreken?" Of: "Ik ben te jong, of ik ben te oud", we hebben allemaal onze ideeën. Eerst dat allemaal loslaten! En het tweede is: Je beschikbaar stellen. Samuël zegt tegen Eli, zoals hij het ook tegen God zegt: hier ben ik Heer. Dat is stil worden voor God. En dan de ander ook echt bij mij binnenlaten. Dat alles zit in die ene eenvoudige zin opgesloten, die Eli aan Samuël voorzegt: Spreek, Here, want uw knecht hoort. Daarmee leert Eli Samuël zich beschikbaar te stellen. Heer hier ben ik, en dan besef ik: U bent er en U spreekt. Ik bevestig God daarin: Spreek, spreek! Als we het niet goed genoeg horen zeggen we: Spreek! We moedigen Hem aan: Laat het me horen.
Ik geef mijn vooroordelen op, dat zoiets niet kan. En ik laat U binnen, want ik hoor. Uw knecht hoort. Je hand achter je oor leggen, geestelijk gezien. Dat is het. Wat heeft U mij te zeggen? Waar die houding aanwezig is, daar komt de Heer, zo staat het heel prachtig in vers 10. Dat is toch eigenlijk ook een kernvers: Daar komt de Here en Hij blijft staan. Hij loopt niet voorbij, maar Hij blijft staan. Daar denkt Hij: hier moet Ik wezen, en daar roept Hij tot vandaag toe. Dus deze wereld ligt onder de roepstem van God en als Hij hier niet gehoord wordt door u en door mij, waar dan wel? Wij zijn toch degenen die ons zondag aan zondag laten aanspreken door het woord? Als je nog nooit die stem van God persoonlijk aan jezelf gericht gehoord hebt, leer het dan. En wees er zeker van dat God daarop zit te wachten. Ik zou als Eli willen zeggen: Leg je neer en zeg het tegen God: Spreek Heer, want ik, Uw knecht, ik hoor!
Al;s dat gaat gebeuren, in de gemeente, dan komen er nieuwe tijden, dan wordt de gemeente een profetische gemeente, dan gaan we elkaar aanspreken, dan gaan we met elkaar onze buren, onze omgeving, de stad aanspreken, dan komt er een tegenbeweging tegen die golf waar ik het eerder over had, van vervreemding van God. Dat zien we hier als het ware beginnen, in 1 Samuël 3. Even in vogelvlucht de rest. Wat hoort Samuël dan? Nou, het is slecht nieuws. Slecht nieuws voor Eli en voor zijn I Samuel 1 - 7 huis. Eli heeft zijn zonen niet bestraft, zo moeten we het lezen. Dat zagen we de vorige keer. Hij had dat moeten doen. Vorige keer, in hoofdstuk 2, heb ik dat heel uitdrukkelijk naar voren gehaald: Er komt geen opwekking en geen reformatie, als we geen besef hebben van de heiligheid van God. Als dat besef er niet is dan komt het er nooit. Om te beginnen bij Hanna, dat gebed in de diepte, in hoofdstuk 1, en dan in hoofdstuk 2 het besef van de heiligheid van God, en de morele keuzes die daaraan verbonden zijn. En dat heeft Eli niet gezien en niet gedaan: hij heeft zijn zonen niet bestraft. En dan snijdt de Here Eli af. Het is een tak die verder geen vrucht kan dragen in zijn Koninkrijk.
Dat is slecht nieuws. En Samuël, hij zit daarmee, maar hij gaat gewoon corveen, deuren open doen en wat er zo te doen is in de tempel. Dat wil zeggen, hij durfde er niet mee te komen bij Eli. En dan opnieuw treft ons hier toch Eli. Want het is Eli hier, die Samuël tot een volgende stap dringt. Ook als het slecht nieuws is voor mij, zegt hij, zeg het. Durf het, kom ermee. Er zit iets in van: Ik heb liever met God slecht nieuws, dan helemaal geen God. En dan durft Samuël. En hij deelde hem alles mee, zonder ook maar iets te verzwijgen. En wat doet Eli? Hij berust. Typisch Eli. Ik zei al, het is een waakvlam. Nu eens wakkert hij onbeholpen, en dan ineens, dat zien we ook, dan steekt hij aan. Hier Samuël. Wonderlijk, want het is door Eli toch dat Samuël leert profeet te zijn. Een soort van wat Von Staupitz, de biechtvader van Luther, was bij Luther, dat is Eli. En zo leert Samuël profeet te zijn, echt te zeggen wat God hem gezegd heeft. Doorgeven wat de Here aan u gaf, wat het ook kost. En dat hoort ook bij dit keerpunt.
Het is dus: leren luisteren, het is daarna -hij bleef liggen tot de morgen-: leren verwerken, want daar ben je mee bezig, dat moet je verwerken, en daarna: leren doorgeven. Die drie dingen zijn wezenlijk, wil het woord van God opnieuw kunnen doorbreken. Als Samuël dat leert, zo lezen we, dan geeft de Heer er zijn werking aan. Hij laat geen van zijn woorden ter aarde vallen. Een prachtig woord. Ieder van zijn woorden werken wat uit. Dat is Samuël, dat is de profetische bediening. Dan wordt de schaarste, die boven het hoofdstuk staat, opgeheven. En dan gaat het woord van God opnieuw geschieden. Dat is wat nodig is in deze tijd, dat het woord van God opnieuw gaat geschieden, waar het hoofdstuk mee eindigt. Het landt weer, van Dan tot Berseba, in geheel Israël. Nu, dat was 1 Samuël 3. De derde stap op de weg van Richteren naar de messiaanse koningstijd. Richteren, toen ieder maar deed wat goed was in eigen oog, naar de tijd van koning David. Het is een tijd van nog niet, en toch al. Een tussentijd. De kernvraag in die tijd is: hoe kan het woord van God opnieuw tot ons hart spreken. Wat moeten wij er nu aan doen om het opnieuw te laten landen, zodat het overkomt?
Nu, wat daaraan gedaan moet worden is nu eigenlijk al genoeg gezegd met het voorbeeld van Samuël. Leren stil worden, leren luisteren, leren loslaten, me beschikbaar stellen, en dan verwerken, en dan doorgeven. Dat alles. Het zijn kernpunten van het christenzijn. Als je die niet kent, dan ken je de Here nog niet. Maar daar wil ik niet eindigen bij wat u moet doen en wat ik moet doen, wat wij allemaal niet moeten doen, ik wil eindigen bij wat de Heer voor ons gedaan heeft. Dat: En Hij spreekt voort, en Hij ging voort te spreken, en Hij sprak opnieuw. Wat heeft Hij niet allemaal gedaan om bij ons over te komen. Dat zien we aan het avondmaal, bij brood en wijn. Zover is Hij in Jezus Christus met zijn woord tot ons gegaan, tot ons gekomen. Hij heeft het als het ware even willen verpakken in brood en wijn, om ons zo ermee aan te raken, en om ons te verzekeren: Kijk, zover ben Ik gegaan in mijn liefde voor u. Het gericht is nu weggedragen en genadetijd gloort. De Heer kwam en ging staan, lezen we in vers 10. Dat doet Hij vanmorgen weer, hier in ons midden. Hij komt, en Hij gaat staan, en Hij noemt u allen bij name.
En Hij zegt: Zou dit breken van het brood, en wat dat betekent, zou dat niet nu bij u en bij jou mijn gezichten mogen doen doorbreken? Neem, eet en gedenkt en gelooft. Amen.