Gemeente van Christus, Dit hoofdstuk komt natuurlijk in zijn geheel ter sprake, toch lees ik nog eens het slotvers. Hoofdstuk 4: 22, waar de vrouw van Pinehas dit zei: Weg is de eer uit Israël, want de ark van God is buitgemaakt. Dat vers heeft mij eigenlijk I Samuel 1 - 7 het meest ontroerd in dit hele hoofdstuk. Het is in dit laatste vers alsof de verteller van dit verhaal zo even daarover na zit te mijmeren, want het laatste vers is een letterlijke herhaling van het voorlaatste vers. Hij had het al gezegd, maar het is alsof hij nog een keer zijn hoofd in zijn hand neemt en zegt: "Moet je nagaan", zo met je dat eigenlijk vertalen, dàt zei ze, "Weg is de eer uit Israël, want de ark van God is buitgemaakt. Hoe verwonderlijk, een vrouw is hoogzwanger, en krijgt het bericht van de dood van haar man, en daar nog overheen het bericht van de dood van haar schoonvader, maar waar ze krimpend van barensnood, en tenslotte stervend van pijn eigenlijk alleen maar mee bezig is, is: de ark is weg! Die heerlijkheid -eer en heerlijkheid zijn hetzelfde woord- is verdwenen uit het land. God is dood, zouden we vandaag zeggen.
En ze vernoemt haar pasgeboren zoon niet naar haar gesneuvelde man, en evenmin naar haar oude gestorven schoonvader, nee, ze geeft hem de naam: Ikaboth. Dat betekent: I = weg, kavoth = de heerlijkheid van de Here. Weg is de heerlijkheid van de Here. De namijmerende verteller kan daar niet over uitgedacht raken. Dat zei ze: Weg is de heerlijkheid van de Here. Het is weer typisch voor het boek Samuël, dat het ons zo meeneemt naar diepere wateren. Naar diepere achtergronden. Naar de eigenlijke nood van land en volk. En ik vind Eli's schoondochter toch wel tot één van de groten behoren uit de Schrift. Wij zouden zo denken, de vrouw van Pinehas zal wel uit het zelfde hout gesneden zijn. Hoeveel vrouwen worden niet met hun man geïdentificeerd? Volkomen ten onrechte, blijkt hier weer. Want hier ineens komt de vrouw van Pinehas naar voren. Wat moet die vrouw niet hebben meegemaakt? Haar man sliep met de vrouwen uit de poort! Weet je wat dat betekent voor de eigen vrouw? En dan hier. Hier heeft ze dat gerichtswoord gehoord, al het onheil, het één na het ander, heeft haar toegeslagen als een roffel.
En waar ze mee bezig is, tot in haar hoogste en diepste stervenspijn dat is het allereerste: de heerlijkheid van de Here is verdwenen uit het land. Ik denk, die vrouw van Pinehas was de eigenlijke priester, de eigenlijke priesteres in het land. En hier ligt opnieuw een kernpunt. Dit besef moet eerst doorbreken, wil God weer opnieuw nieuwe wegen openen. Dan pas leren wij uit onze nederlagen. En dat is de hoofdzaak in dit hoofdstuk. Dat blijkt, want wat bij de vrouw van Pinehas opvalt, valt ook op in de reactie van Eli. Ik ga zoals u ziet van het laatste vers het hele hoofdstuk teruglezen. Want Eli daarvoor, we zien hem zitten, heel ongebruikelijk, want normaal zat hij bij de ingang van de tempel, maar nu, nu daar een slag gaande was, nu zat hij bij de weg. En daar zit die oude Eli, 98 jaar, staar in de ogen, blind, oud en zwaar, in grote spanning en bezorgdheid om de ark, staat er al gelijk bij.
En dat blijkt dan ook als je ziet hoe schitterend dat verteld wordt in vers 16, dat bericht van die marathonloper, die daar als een razende diezelfde dag van het slagveld naar Silo komt om het slechte nieuws te vertellen, en de stad had het al gehoord, en dan roept Eli hem erbij, en dan wordt het daar in vers 16 als het ware stapsgewijs verteld. Eerst: Israël is op de vlucht geslagen! Een grote nederlaag, slecht nieuws. Dan, de tweede stap: Maar ook uw beide zonen Hofni en Pinehas zijn dood! Verschrikkelijk, maar Eli zal het vermoed hebben. Hij zal die onheilsprofetie van het vorige hoofdstuk heus wel met zich meegedragen hebben. Hij blijft ongebroken in zijn stoel zitten. Maar dan, als climax: Ook de ark van God is buitgemaakt! Dat is nieuws wat hem totaal verpletterd. En hij klapt achterover met zijn zware lijf en hij breekt z'n nek. Ik heb een paar weken geleden al eens gezegd: Hij is in z'n dood nog het grootst. Want hier zien we toch waar z'n hart klopte, wat hem het meeste bewoog. En dat moet bij hem zijn hele leven geweest zijn die blijdschap over het geheimenis, waar hij de wachter van was!
De wachter van het grote geheimenis dat daar de heerlijkheid van God midden in Israël woonde! In de ark, dat is een geheimenis. Daar kunnen wij nog maar nauwelijks inkomen, wat de ark voor een gelovige Israëliet betekende. Ik dacht, misschien kun je het het scherpst zeggen als je zegt: Wat de ark voor een gelovige Israëliet betekende, dat is voor ons Jezus Christus en zijn heil. Daarom zegt Paulus ook in Collossenzen, dat gedeelte wat we lazen in het Nieuwe Testament: Zo is Christus voor ons de 'kavoth', de heerlijkheid van God. En Hij is onder de heidenen! Dat is het grootste geheimenis denkbaar voor een jood als Paulus! En dat daarmee die ark in geestelijke zin inderdaad later onder de Filistijnen beland is. "Dit is het geheimenis van de heerlijk die ik mag verkondigen", zegt Paulus, " Christus onder u, onder u de heidenen, de hoop der heerlijkheid." En ergens anders, in Romeinen 3, daar noemt de apostel Paulus Christus letterlijk het verzoendeksel. Laten we eens even die ark voor ogen roepen. De ark zoals die daar stond in het heiligste der heiligen. Daar mocht alleen de hogepriester en dan nog maar één keer per jaar binnentreden. En dat was het allerheiligste deel van de tempel.
En daar stond de ark. Tussen de draagbomen. En dan daarboven die cherubs, en onder die cherubs de verzoendeksel. En dan daaronder die verzoendeksel de tafelen der wet, de grondwet van het verbond, de tekenen van het verbond, maar ook de heilige wil van God. Heilzame regels, maar met een scherpte! Doe dit en ge zult leven. Maar altijd onder de verzoendeksel. Een schitterend beeld eigenlijk, de verzoendeksel en daaronder de wet. Genade en waarheid. De heiligheid van God, en zijn barmhartigheid. Eigenlijk daar op een majestueuze wijze voorgesteld in de ark, de ark van het verbond. "En daar", zegt de Here, "daar woon Ik. Boven die ark woon Ik in Israël." Als je dat beeld voor ogen roept, gaan we er iets van aanvoelen wat het eigenlijk verdriet was van Eli en van de vrouw van Pinehas. Het is het verdriet om de afwezigheid van God, in zijn genade en in zijn waarheid. Soms gaan buitenkerkelijken ons voor in het doorvoelen van dat verdriet.
Ik denk aan mensen als Ellen van Warmond of Marsman, of aan de grote filosoof Nietsche, die in zijn rouwklacht over de afwezigheid van God het uitschreeuwde: I Samuel 1 - 7 "God is dood", zegt hij aan het begin van de twintigste eeuw met al zijn verschrikkingen. "God is dood en wij hebben hem gedood! Hoe hebben we het kunnen doen", zegt Nietsche, "de zon doven die ons beschijnt? En de horizont uitwissen waarbinnen ons leven zin kan hebben?" God is dood en we hebben hem gedood. Die rouwklacht was profetisch over de twintigste eeuw. En Nietsche zelf is er waanzinnig van geworden. Wat 1 Samuël 4 ons leert is: "Er is geen vernieuwing mogelijk, geen verandering in de samenleving, geen doorbraak van de Messiaanse heilstijd, als Israël niet eerst dit verdriet leert uit haar nederlagen. Want ik stap nu even helemaal terug naar het eerste begin van 1 Samuël 4, dat was de inzet van dit verhaal: "Waarom heeft de Here ons heden de nederlaag laten lijden?" Dat is de inzet, het begin van deze hele geschiedenis. Waarom? De Filistijnen versloegen Israël, en de leiders van Israël, de oudsten staat er, stelden de goede vraag.
Niet: "Waarom leden wij nou toevallig de nederlaag?" Nee, ze voelden aan dat er iets mee aan de hand was. En ze zeiden: "Waarom heeft de Here ons hier de nederlaag laten lijden". Die vraag is heel goed. En laten we eerlijk zijn, soms durven wij die vraag niet eens te stellen. Als we terugkijken naar een eeuw kerkzijn in Nederland, of we kijken naar onze eigen gezinnen, of als we terugkijken op ons eigen leven, of een bepaalde dag in ons leven. Je zou kunnen zeggen: "Naar binnen gerichte ogen en een hoog hart." De autonome mens, die zichzelf weer in het middelpunt stelt. Professor Berkhof, die mijn leermeester is, die noemde dat altijd met drie woorden. Hij zei: "De twintigste eeuwse mens wordt door drie woorden gekenmerkt: Konsumptie, manipulatie -lees maar verder in dit hoofdstuk-, en dan ten slotte autonomie, zichzelf de wet stellen. KMA noemde hij dat, de KMA van de duivel. En nederlagen zijn het gevolg. Onder eigen oog. Nederlagen waar God de Here zelf de hand in heeft. Nu raken wij uit het veld geslagen bij een nederlaag. Zeker als we daarin het gevoel hebben dat God zelf ons daarin tegenkomt. Daar maken we al direct de eerste fout. Want Gods nederlagen hebben altijd een doel.
Het zijn nooit doelen in zichzelf, maar altijd een middel. Want God is in de Bijbel de grote pedagoog Die altijd weer met zijn volk bezig is. Hij wil er iets mee, en de oudsten van Israël hebben dat goed aangevoeld. Ze stellen de vraag en ze stellen hem goed, en dan luisteren ze niet eens naar het antwoord. Want in één zin gaat het verder: ze denderen door. Het is eigenlijk schokkend dat ze na een goede vraag überhaupt niet luisteren naar een antwoord. Ze hadden tenslotte, daar begint het hoofdstuk mee: "Het woord van Samuël kwam tot geheel Israël", ze hadden Samuël erbij kunnen roepen, de profeet van God. Ze hadden het eventueel nog kunnen vragen aan de oude Eli, maar nee, in plaats van een antwoord af te wachten, vluchten ze in actie: Want het kan niet dat de Here God niet aan onze kant zou staan. Is dat niet het oerbesef wat we allemaal hebben? Dat kan toch niet, dat God de Heer niet aan onze kant staat? Dat is toch onmogelijk dat Hij ons in de steek zou laten? En ze slepen hem erbij, letterlijk, de ark. In plaats van die andere weg, die ons later in het hoofdstuk gelukkig gewezen wordt.
En dat is verdriet toe te laten, en dan de weg te gaan van de klacht en de verootmoediging, we hebben diverse psalmen daarvoor. Ik denk aan al de 'negen'hoofdstukken in het Oude Testament: Ezra 9, Daniël 9, Ezechiël 9, Jeremia 9, overal waar de profeten dit zagen, dat God ons een nederlaag doet lijden, daar hebben ze zich verootmoedigd. Ze hebben een rouwkleed aangedaan en tranen vergoten. Geroepen tot God, ze gingen het gevecht aan. Een gevecht met God tegen God. Dat is wat God had gewild. Maar hier in Samuël, in tijden van deformatie, vlucht men in actie. Hier wordt het heilige erbij gesleept. Om dan maar in onze naam de overwinning te garanderen en te forceren. En zo moet de ark opdraven. We zetten de 'c' in onze vaandels en we marcheren voort, zoals we toch gedaan hebben. En als het geen 'c' is dan is het de 'r' van reformatorisch, of de 'e' van evangelisch. En daar gebeurt het omgekeerde van wat iedereen verwacht. De Filistijn schrikt wel, want de God van Israël had een indrukwekkende naam, maar daarna vatten ze moed. Ze vatten moed en daarna gooien ze zich in de strijd op leven en dood, en Israël wordt verslagen en de ark wordt buitgemaakt.
Dertig peletons van Israël worden in de pan gehakt. En dan volgt de enig richtinggevende reactie: Eli en de vrouw van Pinehas. Zij reageren op de enige wijze die hier bij past. En dat is door te treuren precies over dat waarover getreurd moest worden! Want in de tweede nederlaag trekt God zich nog een stap verder uit Israël terug. Nu zover dat het niet meer valt te ontkennen. 't Is bij wijze van spreken zichtbaar voor ieder oog. Het heilige der heilige staat leeg. Er is geen blijk meer van Gods aanwezigheid te bekennen. En als Eli dat ziet breekt hij z'n nek. En de vrouw van Pinehas noemt haar zoon met haar laatste ademtocht Ikaboth: weg is nu de heerlijkheid van de Heer. Dat zei ze, zegt de verteller: "Weg is de heerlijkheid van de Here uit Israël. Want de ark van God is buitgemaakt! Hoe je dit alles nu in detail zou moeten toepassen in deze tijd, eerlijk gezegd weet ik dat niet. Ik ga eigenlijk af op de hoofdlijn van dit verhaal. De hoofdlijn van dit verhaal, het grote punt wat het Woord van God ons hier verkondigt, en dat is: Dender niet over je nederlagen heen, en daarna: Durf te treuren. Want wij durven niet meer te treuren over momenten van Gods afwezigheid.
Maar als wij daarover noch juichen noch treuren, wat is het dan? Is het er dan wel? Of is het testament leeg? En als we treuren, dan treuren we toch niet als degenen die geen hoop hebben? Daarom las ik 2 Corinthe 7, waar Paulus zegt: "Er is tweeërlei droefheid, een droefheid naar de wereld, en een droefheid naar de wil van God. En de droefheid van de wereld brengt de dood, trouwens, daar is ook die filosoof Nietsche een heel goed voorbeeld van, want het was uiteindelijk toch een droefheid naar de wereld die hij uitdrukte. Maar er is ook een droefheid naar Gods wil. "En die droefheid naar Gods wil", zegt Paulus, "die brengt I Samuel 1 - 7 een onberouwelijke inkeer tot heil". Prachtig gezegd, zo is het. Die droefheid die zie ik nu bij Eli, en bij de vrouw van Pinehas. Zij laten hier beiden, op het slotmoment van hun leven, even in hun hart zien. En dat maakt dit dieptepunt van hun leven straks in de eeuwigheid het hoogtepunt, daar ben ik zeker van. Want uit hun doodssnik stijgt levensgeur.
Want is dit niet de grote heenwijzing in dit hoofdstuk naar het kruis, waar tenslotte zelfs Jezus zegt, en zo de rouw toelaat in zijn hart: "Mijn God, waarom hebt Ge Mij, ons, verlaten?" Een dieptepunt wat ook door Jezus' zelfovergave hoogtepunt werd. Toen de Here Jezus zelf door die droefheid heen, de droefheid onder alle droefheden heeft laten vervullen, toen heeft Hij, zegt de Schrift, de droefheid daarmee met zich weggedragen. Toen Hij dat had geroepen en de geest gaf, toen scheurde het voorhangsel, van boven naar beneden, toen lag daar het heiligdom weer open, en de ark van God daar midden in werd zichtbaar voor aller oog. Maar dat is ook in nieuwtestamentische tijden nooit automatisch. God is nooit automatisch in ons midden. Hij is nooit onpersoonlijk in ons midden. Hij is nooit magisch in ons midden, en nooit sacraal, in sacrale woorden en sacrale daden, rituelen, daarin is Hij niet. Hij is nooit een verlengstuk van ons. Hij is nooit onze kroon, Hij is nooit ons bezit, Hij is nooit onze eer. Het is altijd precies omgekeerd. En daarom is en blijft het een wonder van genade. Het is een geheimenis dat God in ons midden is.In die arke der verlossing!
Iets waar we eigenlijk nooit helemaal bij kunnen: God zelf in ons midden. Nou, dat leren we beseffen uit onze nederlagen. En dat was het thema van deze dienst. Leren uit onze nederlagen. Misschien ging het wat te snel. Ik zal nog een poging doen om het samen te vatten. Niets is zo moeilijk als eerlijk te zijn over je nederlagen. We zijn trotse mensen. Te durven zeggen: 't Was een nederlaag! Dat te durven zeggen is een hard ding, 't is zuur, het doet zeer, maar het is zo heilzaam. Vooral als we de vraag zo stellen als Israël het in de aanvang deed: Waarom deed de Here ons de nederlaag lijden? Want dat stelt die nederlaag in een heel ander licht. Hij is in die nederlagen met ons aan het werk! Alleen, wij zien het niet. Wij zien het zeker niet zolang we gewoon maar doordenderen, zoals Israël deed. Al gauw de moeilijk vragen toedekken met onze vroomheden, daar zijn we heel goed in, en onze clichés, erger nog, we slepen er heilige dogma's bij en liturgieën, ja zelfs het allerheiligste blijk van Gods aanwezigheid, het kruis, kunnen we nog opheffen in onze gevechten en strijd. Om dan maar weer snel aan de slag te gaan.
Ja, tot, zoals in dit hoofdstuk blijkt, soms de nederlaag verpletterend is. En we inderdaad haast zouden zeggen: God is dood. En dan komen daar de Eli's, en de vrouwen van Pinehas, en zij leren ons treuren. "Zalig die treuren", dat zegt Jezus. "Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden". Natuurlijk die zó treuren. Treuren naar de wil van God, zegt de apostel Paulus, niet naar deze wereld. Treuren omdat zijn heerlijkheid dan wegwijkt uit het land. En hun treuren zet God aan tot handelen. Maar daarover de volgende keer in 1 Samuël 5. Maar nu, wij leerden droefheid naar Gods wil, en dat heeft tot uitwerking verontschuldiging, verontwaardiging, vrees, verlangen, ijver, bestraffing, dat ook, want daar ging Eli mank aan. Ineens komt er leven en is er weer echt leven en menszijn in de gemeente. Zo moet in alle delen blijken dat we zuiver staan in deze zaak van de godsverduistering in de twintigste eeuw. Alleen droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil.
Dat leert ons psalm 85 met nieuwe moed te zingen en te bidden wat we nu gaan doen, opwekkingslied 334, als antwoord op deze preek: Kom Jezus, kom, vul dit land met uw heerlijkheid, want waar U bent zal de nacht verdwijnen! Amen.