Bijbeltekst: 1 Samuël 5 — Uit de serie: I Samuël, deel 5

Gemeente van Christus, Ik wil beginnen met een korte terugblik. We zijn al enkele weken bezig met het boek Samuël, en ik kan me voorstellen dat er wat wegzinkt uit vorige hoofdstukken. Waar zijn we aanbeland in dit belangrijke boek Samuël. Eigenlijk, dat was de opzet, zagen we stap voor stap, I Samuel 1 - 7 hoofdstuk voor hoofdstuk, wat er moest gebeuren om Israël uit de tijd van de Richteren heen te voeren naar de koningstijd. Er zat iemand in de kerk, die de Bijbel niet goed kende, voor die was het een beetje abracadabra, maar dan leg ik dat nog even een keer uit. Die tijd van de Richteren, die staat in de bijbelse geschiedenis altijd bekend als het diepe dal. Toen deed iedereen wat goed was in zijn eigen ogen. Zo eindigt dat boek. En de koningstijd, er zitten veel plussen en minnen aan die tijd, maar toch, in de geschiedenis van Israël is de koningstijd een hoogtepunt. Dat was David, toen Salomo, en het Messiaanse rijk schijnt al door de kieren heen. Dus uit het dal naar hoogten Messiaanse hoogten. Zo zie ik dus deze Samuëlse tussentijd, dat eerste deel van het boek Samuël , wat we nu bespreken een beetje als model voor onze tijd.

Uit het dal, zou je kunnen zeggen, van de twintigste eeuw met zijn verschrikkelijke wereldoorlogen, met tot vandaag toe zijn schrijnende tegenstellingen tussen rijk en arm, met wat wij hier in het Westen zeggen de godsverduistering en de kerkverlating. En toch op weg -we bidden het iedere keer weer: Dat Uw Koninkrijk kome- toch op weg naar het Messiaanse rijk! Maar het gaat via stappen, en die stappen hebben we na elkaar gezien. Om ze even nog kort aan te geven: Het ging via Hanna, via Eli -hoofdstuk 2-, via Samuël -hoofdstuk 3-, en de vrouw van Pinehas -hoofdstuk 4-. En dan nu de val van Dagon. Over iedere stap nog even een korte terugblik. Het begon eigenlijk, die omslag daar, bij Hanna. In de diepte van haar gebed, 'de profundis', in het Latijn, een gebed uit de diepte. En daar begint blijkbaar iedere vernieuwing, iedere reformatie. Dat begint bij de naamloze enkeling, een vrouw met een leefprobleem, 1 Samuël 1. Maar die toch doorboort in haar bidden tot de eigenlijke nood achter haar nood. Dat was het geheim van haar gebed. Toen kwam Eli, hoofdstuk 2. En waarom hij faalde. Want hij trad niet krachtig maar halfslachtig op.

Het kwaad was onder zijn eigen kinderen doorgedrongen tot in het heiligdom. En wat zegt Eli? "Jongens, jongens, wat moeten de mensen er toch wel niet van denken!" En dat tweede hoofdstuk heeft ons bepaald bij de noodzaak van het maken van radicale morele keuzes. En zonder dat komt er nooit vernieuwing. Radicale, morele keuzes. En toen kwam Samuël, hoofdstuk 3. Samuël die eerst en vooral moest leren luisteren. De kunst van het horen, daar waar Jesaja over spreekt, horen zoals leerlingen doen. Nieuw horen naar wat God nú tot mij, tot ons te zeggen heeft. Daar begint de profetie en profetische belichting is een onmisbare hoeksteen om te komen tot Messiaanse tijden. En de vorige keer hoofdstuk 4. In hoofdstuk 4 was toch eigenlijk wel het absolute dieptepunt. De Filistijnen overwinnen Israël. En ze oefenen een ontzettend -intussen wel aangekondigd, maar toch ontzettend- gericht uit over Eli, het huis van Eli, z'n priesterdienst, maar ook over het volk. Er vallen duizenden doden. Eli breekt z'n nek, en de vrouw van Pinehas blaast de laatste adem uit bij de geboorte van haar kind, en waarom? Omdat de ark van God is buitgemaakt.

Dat zei ze, zo eindigt het hoofdstuk: "De heerlijkheid van de Here is verdwenen uit het land". En toen stierf ze. En de zaak van God lijkt verloren. De ark, de heerlijkheid van God, weg uit het land. En als dat zo is, wat moeten wij dan nog? Met zulke sombere gevoelens eindigt hoofdstuk 4. In de vorige dienst zei ik: in hoofdstuk 4 leren wij uit onze nederlagen. En dan nu hoofdstuk 5. De ark is buitgemaakt. Ze wordt een speelbal in de hand van de Filistijnen. En daarbij overheerst het gevoel dat het toch gekomen is door Israëls onheilig gedrag. Israël heeft vuile handen. De onbesneden Filistijnen nemen de ark en brengen hem waar ze willen. Dat zit even in de taal aan het begin van het hoofdstuk. In de oude vertaling staat het er nog heel prima. Die heeft letterlijk het Hebreeuws vertaald. "En ze namen de ark en ze brachten" en dan staat er in vers 2 weer: "En ze namen en ze brachten". En die herhaling geeft aan: Ze deden er mee wat ze wilden, ze sleepten die ark, de bron van Gods zelfopenbaring, ze namen hem, zetten hem waar ze wilden, erger nog, er staat: "Ze zetten hem bij in hun eigen pantheon". Hij komt daar naast Dagon, hun afgod, te staan.

En ik dacht, misschien is dat toch ook een parallel. Met hoe in deze eeuw talloos vele onbesneden twintigste-eeuwse denkers zich hebben aangematigd om het heil van het hart van God weg te verklaren. Ze hebben het in hun handen genomen en stukgedacht. Naast alle ideologieën gezet, die onze eeuw hebben beheerst. Lenin zei: "Het christelijk geloof is gewoon één van de vele ideologieën. Weg was de heerlijkheid en de eer en de heiligheid, en het ontzag en de majesteit en de ontferming van de zelfopenbaring van God. Te grabbel gegooid voor de heidenen. En dat mee door onze schuld. Ze deden ermee wat ze wilden, zo begint hoofdstuk 5. De bijbel op één lijn met de 'sprookjes van Grimm', of 'het Heilige Boek van India', of 'Das Kapital' van Marx, of 'het boek van Mormon', en ga maar door. Dat hangt trouwens toch vandaag een beetje in de lucht. Iedereen heeft zo zijn eigen waarheid. Het hoort bij de Richterentijd, ze is postmodern. Niet alleen doet ieder wat goed is in eigen oog, maar ieder gelooft ook wat waar is in eigen oog. Zo staat daar de ark van God naast Dagon, de vruchtbaarheidsgod in de tempel. Ook deze God zal op zijn wijze wel in dit heilige huis van de Filistijnen passen.

Naast Dagon en Astarte en Baäl en Romfa en Moloch en noem maar op. Maar dan komt in dit hoofdstuk 5 de grote verrassing. Het begint in vers 3: maar toen de Asdodieten de volgende morgen vroeg opstonden -zo van: staat ie er nog? Zoals kinderen na een Sinterklaasavond de volgende morgen gauw gaan kijken of al hun speelgoed er nog staat- dan ligt daar die tarwegod Dagon met zijn gezicht I Samuel 1 - 7 voorovergeklapt voor de ark van de Here. En hier zet nu het nieuwe thema in, dat wat ik uniek vind in dit hoofdstuk 5 in het boek Samuël. Een nieuw hoofdstuk over het handelen van God in en rond Israël. Een klein voorproefje in miniatuur eigenlijk van wat straks daar in het groot gaat gebeuren waarvan we lazen bij Jesaja in het tweede hoofdstuk. De dag van de Heer tegen al wat hoog is. Zo is het nieuwe thema van dit hoofdstuk de val van de afgoden, want daar gaat het om. De Heer zal opstaan tot de strijd. Zo zien we Hem hier in 1 Samuël 5. Ineens zijn we hier in 1 Samuël 5 in een heel andere wereld beland. Wat een verschil, dit hoofdstuk, met dat sombere hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 4 is somber en zwaar en het eindigt in de ellende eigenlijk en dan hier dit hoofdstuk, het heeft ondanks verschrikkelijke dingen toch iets in zich van humor en van ironie en van een zekere lichtvoetigheid. Zoiets van alsof God wil zeggen: "Ja, jullie denken nu wel dat mijn zaak verloren is, maar nu ben Ik aan de beurt", en dan ineens zien we hem in actie. Een totaal onverwachte wending. Er zit zoiets in van psalm 2: "Hij, die in de hemel zetelt, lacht." Ik moet ook altijd bij deze geschiedenis denken aan de torenbouw van Babel, Genesis 11, waar ook de mens tenslotte denkt dat ie God wel helemaal van zijn troon heeft gestoten. "Onze toren reikt nu tot in de hemel, nu zal niets van wat we denken voor ons onuitvoerbaar zijn". En dan daalt de Here neer, alsof Hij wil zeggen: "Nou, dat was een hele afstand voordat Ik bij jullie was". En de ironie komt daar in voor dat Hij hun spraak verwart, en Babel, de poort van God zeiden ze, dat maakte Hij 'babbel'. En de ironie dringt overal door, mensen raken verward in hun eigen taal en zijn met machteloosheid geslagen. Zoiets zien we ook hier.

Als de mannen van Asdod 's ochtends vroeg bewust hun nieuwe aanwinst nog eens gaan bewonderen, dan ligt daar die grote Dagon met z'n gezicht voorover op de grond voor de ark. En ze zetten hem geschokt weer overeind. Niets geleerd dus. En de volgende morgen overkomt hen nog iets ergers. Dan ligt Dagon daar met zijn hoofd en zijn arm van de romp gebroken, en dat hoofd en die arm liggen dat precies op de drempel. Spottend voegt de verteller eraan toe: "Nu weten jullie waarom de priesters van Dagon als vast gebruik niet op de drempel mogen stappen". Blijkbaar hing daar een bordje -tot in de huidige tijd, staat er- voor de tempel met: "Niet op de drempel stappen. Dat is onheilig gedrag". Nu weet u dat, zegt de Bijbel vol spot. Er zit ook iets in van: Moet u toch nagaan hoe vasthoudend mensen hun afgoden blijven vasthouden, hoe hardleers ze zijn. Ook als de onmacht van die afgod overduidelijk gebleken is, blijven mensen er nog mee dwepen. Ongelooflijk. Dat leidt ons een stap verder naar de kern van dit hoofdstuk. En dat is die val van de afgoden. Als God zich opmaakt om te handelen is dat het eerste wat Hij doet bij de Filistijnen. De afgoden moeten van hun sokkel.

En daar moet ik vanmiddag eens wat breder bij stil staan, hier in het midden van de uitleg. Wat is dat een afgod, wat was het toen, en wat is het vandaag? Nu, die Dagon, waarvan hier sprake is, is de korengod van de Filistijnen. Dat wil zeggen, hij zorgde ervoor, was als het ware een belichaming, een zichtbaar symbool, een beeld, van die vruchtbaarheidskracht die in de aarde het graan teweeg bracht, het koren deed groeien. Dagon was de hoofdgod van de Filistijnen, we lezen dat ook bij Simson. Simson in de tempel van Dagon, waar hij de pilaren deed breken. De Filistijnen aanbaden de kracht van de vruchtbaarheid. En dat was deze god, en ze hadden er ook nog meer goden voor, de menselijke vruchtbaarheid, de seksualiteit, Astarte. En er waren ook nog krijgsgoden en allemaal symbolen van machten en krachten, waarvan de mens diep afhankelijk is. Want daar gaat het om. Waar je je van afhankelijk weet, daar wil je invloed op uitoefenen, dat wil je in je greep krijgen. Dat is afgoderij. Eigenlijk is dat het geheim. Dus dat waarvan je ten diepste afhankelijk bent, daar wil je invloed op uitoefenen en dat wil je tenslotte in je greep krijgen.

Daar zit weer dat superieure, dat ongebrokene in van de mens die niet afhankelijk wil wezen. Dat zie je tot vandaag toe. We willen de krachten en de machten waarvan we ten diepste als heel klein mensje ontzaglijk afhankelijk zijn, die willen wij beïnvloeden, die willen we in onze hand krijgen, zodat we tenslotte zelf niet meer afhankelijk zijn, maar oppermachtig. Dat kun je doen met alle krachten waarvan de mens afhankelijk is. Van de vruchtbaarheid, van de kracht van leven en dood, de krachten van de oorlog en de vrede. Zo wilden de Filistijnen eigenlijk zelf koning zijn en zelf die machten beïnvloeden. 't Klinkt heel modern. Ten diepste is het niet afhankelijk willen zijn, niet de ware afhankelijkheid kennen, van de Schepper van hemel en aarde. En je lot in eigen hand willen nemen. En geen macht over je leven willen toelaten. Alles zelf in de greep willen krijgen. Dat zijn allemaal termen die je zo kunt toepassen op onze tijd. Maar de prijs die je ervoor betaalt is enorm. Want je moet constant blijven beheersen. Je moet constant blijven geven aan die goden, je moet constant blijven offeren aan die goden.

Een afgod begint eigenlijk altijd met je te fascineren en je aan te trekken: "Ik bied je fantastisch veel", zegt Dagon. Tarwe, zoals vandaag onze nationale 'plan-economie', dat is ook zoiets, die kan het zo makkelijk worden. Ik bied je tarwe, welvaart. "Ik bied je ontzaglijk veel", zegt Astarte. Seksueel genot. Nou, vandaag kun je dat in overvloed krijgen op de kabeltelevisie enzovoort. "Ik bied je ontzaglijk veel", zegt de krijgsgod, toen Romfa. Zulke (af)goddelijke macht kennen we vandaag ook. "Ik bied je ontzaglijk veel", zegt de atoombewapening met z'n atoomraketten: overwinning over je vijanden. En zo kun je maar doorgaan. "Maar", zeggen ze, "als u maar offert". En de mens zegt: "Dat doe ik, want op die manier krijg ik welvaart, en krijg ik genot en krijg ik de overwinning en krijg ik de dingen in mijn greep, oefen ik er invloed op uit." Maar intussen worden we zelf ingesponnen door diezelfde macht van de afgoden. I Samuel 1 - 7 De Bijbel leert vanmiddag: Het eerste wat God doet als Hij optreedt, dat is die afgoden beschaamt maken. Eerst moet eigenlijk die afgoderij eruit, verbroken worden voordat de ware God kan worden erkend. En zo brengt God eerbied teweeg onder de mensen.

En de manier waarop Hij dat doet, hier in de tweede helft van dit hoofdstuk, het doet zeer als je dit leest en het is hard. Waar ook die ark naar toe gebracht wordt, Asdod, Gad, en dan Ekron, waar ze hem ook naar toe sleepten, daar sloeg de Here hen met builen, zo lezen we. Eigenlijk staat er: aambeien. Dat hebben ze maar zo niet vertaald, maar het benaderd het nog eens even heel veel erger, die schaamte die erin zit. In psalm 78 lezen we de echo tot diep in Israëls geschiedenis. In vers 66 gaat het over deze geschiedenis, we zongen er ook van, en dan staat er: "Zijn tegenstanders sloeg Hij van achteren." Een altoos durende smaad deed Hij hen aan. En ook daarin zit weer iets van de ironie, God maakt ze beschaamd. Overal waar de ark kwam, van Asdod tot Ekron, overal trof de hand van de Here de stad met zeer grote verwarring en gezwellen braken uit van achteren en de mensen stierven, groot en klein. En ze jammerden en ze klaagden in dodelijke verwarring. Waar ik dan steeds aan moet denken als ik zo'n geschiedenis lees als 1 Samuël 5 hier en dan achteraf terugblik, dat is toch die bedoeling. Wat is nu de bedoeling van God geweest? Wat wilde Hij daar nu mee? Wilde Hij mensen kwellen?

Kan zoiets ooit de bedoeling van God geweest zijn? Ik geloof er niets van. Nee, wat God bedoelt als zijn gericht over de mensen komt, dat is dat Hij hen van hun troon wil stoten. Dat Hij hen wil brengen tot verootmoediging. Ik denk hier nu even aan de grote stad Ninevé, even heidens als de Filistijnen. Met een koning, net als hier. Maar toen God hen sloeg, toen scheurde de koning van Ninevé zijn kleed en hij verootmoedigde zich. En God wendde de rampspoed af! En ik denk aan een andere koning, ook een heidense koning, Nebukadnezar, toen God hem sloeg en hem vernederde, toen, staat er in de Bijbel, heeft hij zich verootmoedigd en in zijn nood geroepen tot God, en God heeft zijn lot gewend. Je ziet in de Bijbel ook voorbeelden waar Gods bedoeling er ook echt helemaal uitkomt. Dat staat op de achtergrond, ook hier in 1 Samuël 5 en ook, denk ik, op alle plaatsen waar God komt met zijn gericht. Daar is het nooit het gericht van iemand die lust heeft in vernietiging.

"Ik heb geen luist aan de dood van de zondaar", zegt de Here, "maar daarin dat hij leeft!" Ik zie het als een operatiemes van de grote Chirurg, die zegt: "Dit mes moet erin, wil er überhaupt iets van terecht komen." Nu, daarvoor heeft Hij hier dan ook een ingrijpende en smadelijke operatie gedaan. Het was onafwendbaar. De afgoden moesten vallen. De mensen hadden zich moeten verootmoedigen. Daar is de Here hier mee bezig in 1 Samuël 5. Door zich 'resteloos' eigenlijk uit te leveren aan de Filistijnen. Dat vind ik ook iets heel wonderlijks in dit hele hoofdstuk. Als mensen denken: Nu is de zaak van God verloren, uitgeleverd aan de heidenen, in de handen gekomen van onbesneden Filistijnen, dan lijkt het of God diep ademhaalt en dan pas handelt in een verheven stijl en met een onmiskenbare kracht. Het deed me denken aan wat later de kern is van de heilsgeschiedenis, dat de ark van de genade, want die ark is toch eigenlijk een afbeelding van Jezus, dat als de ark van de genade daar aan de Filistijnen wordt uitgeleverd en ten slotte aan een kruis wordt geslagen, en we allemaal denken, dat dachten de discipelen ook: nu is alles verloren.

En straks, als de dag van de Here aanbreekt, nu grijp ik even terug op Jesaja 2, ik denk dat er dan weer zoiets zal gebeuren. Op het moment waarop alles verloren lijkt, en in Openbaringen lezen we : Zelfs de laatste twee getuigen zullen daar op de straten van het heidense Babylon gedood zijn, dan zal de Heer verschijnen op een dag tegen al wat hoog is, en dan worden al onze afgoden bespottelijk gemaakt. En de mensen zullen ze voor de ratten en de vleermuizen werpen, zegt Jesaja. En da zal de Here alleen Koning zijn in de luister van zijn majesteit, en dan zal alle knie voor hem buigen. Dat is het waar deze geschiedenis toch als het ware een voorafschaduwing van is. Zo zagen we 1 Samuël 5 tegen deze achtergrond van heel de Schrift. Nu tot slot. Wat horen wij nu. Want we hebben het doorgelezen en doordacht, andere gedeelten van de Bijbel erbij gehaald, maar dan komt dat wat Samuël ons leerde: Heer wat heeft U mij nou te zeggen? Wat horen wij nu uit dit hoofdstuk voor mij, voor ons vandaag, persoonlijk? Ik hoor daarin zelf twee dingen. Eén scherp bericht, en eigenlijk toch ook iets heel vertroostends in dit hoofdstuk. Over die twee tot slot nog een kort woord.

Zoals ik al zei, het eerste in dit hoofdstuk is de ironie van God over onze afgoden. De onbesneden Filistijn zit ten slotte in het hart van ieder van ons. Geen mens heeft zozeer de machten in de greep willen krijgen als de westerse mens met z'n rede en techniek en ten slotte zet hij zichzelf in het middelpunt, in plaats van de ware afhankelijkheid steeds kennen, willen wij manipuleren en beheersen, ten slotte alles beheersen. Dat is afgoderij en ook wij allen hebben die Filistijn in het hart dat we dingen in ons hart een plaats geven die eigenlijk alleen aan God toekomt. De persoonlijke boodschap van dit hoofdstuk dat is: Kijk je leven er op na. Kijk je eigen leven er op na en gooi die afgoden eruit voor het te laat is. Voor de Heer zelf komt, en dat lezen we hier in Samuël 5, met schrik en pijn en vernedering. En daarom is de doorlopende boodschap van de Bijbel: Verneder je op tijd voor de Here, dan hoeft Hij dit niet naar u toe uit te voeren, en wie zich op tijd vernedert, die zal Hij verhogen. Dat is de ene kant van dit hoofdstuk.

Het tweede wat ik leer uit 1 Samuël 5, is eigenlijk wat ik zei voor mij, en ik denk voor u en voor ons allen iets eindeloos vertroostends, want het lijkt wel of God hier pas goed los komt! Zolang Israël hem niet langer vermoeit. Hij gaat zijn hoge gang alleen. Als de vrouw van Pinehas denkt: Ja, nu is de eer geweken uit het land, en wat moet I Samuel 1 - 7 er nu nog van Gods eer en heerlijkheid terechtkomen? In mijn gezin, in mijn volk, in mijn gemeente, waar ook. Is God niet geweken uit ons midden? Dan zegt 1 Samuël 5: "De herder van Israël sluimert noch slaapt. Dan ontwaakt Hij", zegt psalm 78. Wees niet bang. Uiteindelijk heeft God ons niet nodig om tot zijn eer te komen. Wanneer Hij moederziel alleen is, dan komt Hij pas goed los! Dat lees ik in dit hoofdstuk. Dat blijkt steeds weer in de heilsgeschiedenis. Dan gaat Hij aan het werk, dan slaat Hij afgod, demon en duivel terneer, en dan ontsteekt Hij zijn Licht, het opstandingslicht, dat daar doorbreekt in het midden van de geschiedenis, op zo'n soort moment, toen iedereen dacht: Nu is het afgelopen.

Toen kwam daar opstandingslicht, en het ging naar Samaria, en naar Damascus, naar de Filistijnen, de heidenen allemaal daaromheen, ze werden bereikt door dat licht. Dat vind ik het vertroostende van dit hoofdstuk. De Heer zelf zal het doen. Wij mogen soms eventjes met Hem oplopen, en op onze beste momenten eens even met Hem meewerken, maar uiteindelijk is Hij het zelf die het doet. Daar mogen we ook aan denken als u, als ik, als we soms denken: Het lijkt alsof er niets meer van terecht komt. Dan zegt de Here in 1 Samuël 5 tot ons: Laat het maar aan mij over: Ik zal het doen. En daarop zegt hoop ik, weet ik, heel de gemeente: Amen.