Gemeente van Christus, Morgen, 31 oktober, is het hervormingsdag, en daarom hebben we ons deze zondag daar ook wat op gericht. "Een vaste burcht is onze God" heeft weer geklonken en we denken terug aan 31 oktober 1517, toen Luther daar de 95 stellingen sloeg op de vleugeldeuren van de slotkapel in Wittenberg. Begin van vernieuwing, vernieuwing van de kerk. Reformatie. En dat is eigenlijk dit, dat het evangelie van de genade wordt herontdekt. En dat verbind ik nu met deze geschiedenis. Je zou kunnen zeggen: De ark van God keert terug. Want de ark, dat is toch het beeld van de genade van God, de verzoendeksel daarboven, zo wil Hij wonen onder Israël. En die ark was weggeweest en keert nu weer terug onder Israël. Een beeld, vind ik, van wat men in die tijd beleeft heeft als de vernieuwing van de kerk: Opnieuw komt God tot de gemeente door zijn evangelie, door zijn woord, het woord van zijn genade, en spreekt van verzoening. Daardoor zijn de gereformeerde kerken sterk 'woordkerken' geworden. In het hoofdstuk wat we hier nu lazen, uit Samuël, daar blijkt dat het antwoord toch wel heel belangrijk is.
En daar concentreren we ons op voor het komende kwartier, om dat te begrijpen wat nu het antwoord is wat dan van de gemeente gevraagd wordt. De ark keert terug. Je zou kunnen zeggen: God doet een zet, en nu verwacht Hij van Israël een tegenzet. Hoe zal het volk op die terugkeer reageren? Nu, dat brengt ons direct, zoals ik al zei, bij het meest gevoelige punt uit dit hoofdstuk. Daar ineens zo'n slachtpartij. Het staat er ook letterlijk in die bewoordingen. Als we eerlijk zijn dan begrijpen wij het niet. Je zou er eerst wat treurig van worden, want die inwoners van Beth-Semes, die de ark ontvingen, waren aanvankelijk ontzaglijk blij (vers 13). Die wagen kwam daar binnen in dat priesterdorp Beth- Semes, dus men was gewend met de ark om te gaan, en dan strandt die ark daar op het landgoed van een zekere meneer Jozua, en de filistijnse stadsvorsten zien dat van een afstand gebeuren, en alle mensen in de velden, ze zijn daar aan het graanoogsten, komen naar die ark toe, 't is mei-juni, en begrijpen direct wat het is en ze zijn enthousiast.
Ze hakken die kar aan stukken en flinters, steken hem in de brand en offeren daarop de twee koeien die de kar trokken en, staat er, nog vele andere brandoffers. Ze hebben daar de hele dag feest gevierd. We kunnen ons dat moeilijk meer voorstellen, maar je moet je even indenken dat de ark voor de Israëlieten toch was: De aanwezigheid van God. Ik denk dat ze in die tussenliggende tijd, toen de ark weg was, dat gevoel hebben gehad wat we uitdrukten bij het eerste lied wat we vanmorgen zongen: verweesd achterblijven. Dat gevoel hebben ze gehad. Bidden tot een lege plek. Denken: God heeft ons vergeten. En dan komt daar ineens die ark terug, en ze zijn blij en ze steken offers aan I Samuel 1 - 7 en ze vieren feest. En dan ineens komt daar die plotseling klap. Ineens, als die mannen daar bezig zijn, staat er in vers 19, richtte de Here een slachting aan onder hen. Het staat er letterlijk zo: de Here richtte een slachting aan. Het staat in het hebreeuws wat moeilijk. Er staat dan bij: 50 op de 1000, en dan snap je het ook niet helemaal meer. Er staat letterlijk in het hebreeuws: vijftigduizend.
Er staat eerst: Hij richtte een slachting aan onder 70 zielen, dan vijftigduizend, niemand die precies weet wat dat betekent. Dus ik laat die vijftigduizend maar helemaal weg, 't waarschijnlijkste is dat het er later aan is toegevoegd. Maar in ieder geval, laten we het even op zijn minimaalst nemen, 70 man. Zeventig man uit dat dorp, worden, ik weet niet hoe, het staat er niet bij, plotseling door de dood getroffen. En ja, je blijft daar zelf ook verbijsterd bij zitten. Daar zijn mensen die goed reageren op de terugkeer van de ark, denken we, blij een respons te zien, denk je dan, en dan ineens daar die slag. Wat moeten we daarmee? Ineens kon ik me vereenzelvigen met dat wat opstandige lied 484, daarom heb ik dat ook laten zingen, waar dan ook iemand aan het woord is waarbij je het gevoel hebt dat hij spontaan voor God heeft gekozen. Je gaat met Hem in zee, en dan ineens die terugslag, dat verbijsterende van ineens merken dat God niet antwoordt, integendeel, dat Hij antwoordt met je tegen te komen. De zeventig mannen in Beth-Semes sneuvelen daar midden in dat feest. en we vragen ons af: Wat moet ik daarmee. O bittere schrik, staat er, blinde schrik, in lied 434.
Als ze dit merken roepen ze het buurdorp te hulp, Kirjath-Jearim, en ze zeggen: "Kom die ark alsjeblieft ophalen, parkeer hem maar ergens achteraf". Zo eindigt eigenlijk dit hoofdstuk, dit gedeelte. Deze reactie, en de gevoelens die daarbij horen, toen ik dat doorvoelde dacht ik: Toch wel wonderlijk, dat dit tegelijkertijd precies de kern is van wat wij mensen vandaag aan God opdoen. Een schok, een teleurstelling, vervreemding, verbittering, onbegrip. En heus niet omdat wij naar ons gevoel ons ongelovig hebben opgesteld, integendeel, we hebben het echt geprobeerd, we hebben gegeven wat we konden, maar toen, o blinde schrik, ontvreemdt ge mij dan ding voor ding al het oude en vertrouwde?, zegt lied 484. Ge maakt me steeds meer vreemdeling en ik zie voor me kruis na kruis. En vraag me af ben ik nog Uw beminde? Wie zichzelf herkent in dit lied, en die denkt: Ja, precies, daar zit ik, die wil ik het verdere verhaal van de terugkeer van de ark vertellen. want als je dat dan verder bestudeert, dan ga iets heel bijzonders ontdekken. In de eerste plaats, de tekst vers 18.
Let eens even op dat diepe vermoeden dat toch die Beth-Semieten daar uitdrukken, als dit dan gebeurt en God hen verbijstert. Je denkt, als je leest wat daar staat: Waren ze daar nu maar verder op doorgegaan! Dat raakt de kern. Ze zeggen: "Maar wie kan bestaan voor het aangezicht van de Here, van deze heilige God?" Drie dingen wil ik daar over zeggen. Als eerste denk ik dat heiligheid hier betekent: God is de gans andere. Misschien dat sommige van de kinderen wel eens luisteren naar het voorlezen van de vertellingen van Nanya, van de schrijver C. S. Lewis. In die kinderboeken van deze schrijver wordt de Here vaak aangeduid met een leeuw, Aslan, die zo nu en dan uit een ver land verschijnt. Maar, zegt dan de verteller, pas op, het is wel een leeuw, en hij is niet tam. En dat was het eerste wat ik bedacht. Eigenlijk willen wij altijd een God die bij ons past, die op onze maat is gesneden. Die precies doet wat we van hem mogen verwachten. Een getemde leeuw. Ik denk dat zoiets de inwoners van Beth-Semes plotseling hebben begrepen. Dat God de gans andere is. En dat ze toch ondanks hun blijdschap iets heel wezenlijks misten. wat was dat?
We lezen in een kort zinnetje: Omdat ze in de ark hadden gekeken. Dat heeft u misschien op de lagere school nog gehoord: ze keken in de ark en daar hadden ze niet aan mogen zitten, denk maar aan later de priester Uzzia. Maar dat staat er in het hebreeuws niet, dus ook hier kom ik klem te zitten. Er staat in het hebreeuws niet: Omdat ze in de ark hadden gekeken, er staat meer, wat u vindt in de normale nieuwe vertaling: dat ze de ark hadden bekeken. Dat staat er wel bij, dat ze de ark hadden bekeken. Daar proef ik toch zoiets in van: niet die houding die God nog zoekt. Iets van de toeschouwershouding, van we kijken er naar, en we bekijken het, we houden hem daarmee toch ook wel als de anderen buiten ons. Daar hebben ze ineens iets van geproefd, toen daar dit grote ongeluk hen trof. Iets van psalm 77, waar staat: O God, in heiligheid is Uw weg. Toch kwam ik hier niet helemaal mee uit, en ik ging verder lezen, vandaar dat ik hoofdstuk 7 erbij moest nemen om hier uit te komen. Want het tweede dat hier bij aansluit is dan toch eigenlijk de uitleg van de profeet Samuël een paar verzen verderop. We gaan verder met het verhaal.
Als dan die ark daar is geparkeerd, zo noem ik het maar, in Kirjath-Jearim dan blijft het volk jarenlang de Here achtervolgen met hun klachten, staat er. Dus ze blijven maar roepen tot God, want ze zitten onder dat juk van de Filistijnen. En dan, dan komt de profeet Samuël. Die gaat het ze uitleggen en zegt: Ja, maar moet je luisteren! In vers 3: "Toen zei Samuël tot het gehele huis van Israël , als jullie je met heel je hart tot God bekeren, dan zal Hij je redden van die onheilige machten." En ineens krijgt hier het verhaal een verdieping. Blijkbaar zitten wij mensen ontzaglijk ingewikkeld in elkaar en kunnen met de ene kant van onze ziel toch wel erg blij zijn met God, maar houden toch aan de andere kant kamers dicht voor hem. Houden we onze handen gevuld met dingen die we eigenlijk los moeten laten. En daar gaat Samuël dan op door. Hij zegt tegen het volk Israël: "Je moest die Baäls en die Astartes er eens uitgooien! Dien hem met heel je hart." En ineens begin ik wat meer van God te begrijpen.
Hoe moet Hij zich voelen, als een volk hem ontvangt met I Samuel 1 - 7 brandoffers en naloopt met smeekbeden, maar intussen toch daar die handen gevuld houdt en die kamers op slot, met dingen die niet bij God passen, die hun liefde verdeeld houden. En zoiets kan er bij God niet in. Daar kan Hij niet mee leven, dat hoort bij zijn heiligheid, dat hoort ook bij zijn heiligheid, Hij is de Ander, maar Hij is ook heilig daarin, en hier komt nu heel erg mooi naar voren daarom wilde ik dat er uitdrukkelijk bij betrekken, dat Hij heilig is in zijn liefde. Het is zoiets als wanneer een jongen verliefd is op een meisje, dan kan hij het niet uitstaan dat zij met een ander zou uitgaan. Of als een vrouw getrouwd is met een man, en ze houdt van hem, dan zal ze toch eigenlijk in haar hart nooit kunnen nemen dat die man er een andere vriendin op na houdt met wie hij dan ook een huwelijksrelatie heeft, dat lukt niet. En dat proef ik hier in het begin van hoofdstuk 7, God die zegt: "Het bij mij wel of alles, of niks". En dat heeft Hij gemist in de manier waarop Hij ontvangen is. En als de profeet Samuël dat met veel klem zegt, dan gaat Israël door de knieën.
Ik vind dat een schitterend hoofdstuk, dat hoofdstuk 7, we komen daar volgende week zondag ook op terug. Dat leidt me namelijk tot het derde punt in die terugkeer van Israël tot de Here. Want dat is het eigenlijk wat hier in feite geschetst wordt: God keert terug tot ons, maar Hij wil dat wij ook tot hem terugkeren. De terugkeer van de verloren ark moet weer beantwoord worden door de terugkeer van Israël. Pas dan is eigenlijk die terugkeer van de ark compleet. En die terugkeer vindt dan plaats in Mizpa, vers 6. Heel Israël komt bijeen in Mizpa, Samuël onderwijst, hij doet voorbede, en Israël, het doet iets wat het sindsdien door de eeuwen heen op het netvlies heeft gehouden. Daar loopt het volk langs de stadsbron van Mizpa, en ze putten allemaal, klein en groot, met een vat wat water en als ze verder lopen dan plengen ze dat op de grond. En Israël plengt daar water, de hele dag, voor het aangezicht van God. Ik vind dat het mooiste beeld van wat die terugkeer tot de Here eigenlijk is. Ze vasten en bidden, en biddend plengen ze daar water uit de bron van Mizpa. Zo, zeggen ze, is onze ziel uitgegoten voor U. Daar zitten voor mijn besef een aantal punten in.
In de eerste plaats: dat plengen van dat water is voor mij een beeld van totale openheid. Wie zijn ziel uitstort als water op de grond, zoals Hanna deed, als we even teruggrijpen, die kropt de dingen niet langer op, maar die laat het uit zich lopen. Dat is toch eigenlijk het beeld van dat water: je laat het uit je lopen. Dan stroomt verdriet er uit en agressie en wrok en bitterheid, dat moet er allemaal uitlopen wil er echt weer een ontmoeting komen met God. Maar het tweede wat opvalt is dat dan ook de afgoden ineens losgelaten worden! Die stromen mee! Die afgoden die Hofni en Pinehas, ook uit de vorige hoofdstukken, vasthielden. Ineens kom ik totaal open voor God te staan, en pas dan ben ik bereid toe te geven wat ik allemaal voor hem achterhield. Al die dingen die Hij niet kan uitstaan. Eigendunk, of m'n onmisbare ambities, of mijn projecties van hoe God wel moet wezen, anders hoef ik hem niet. Mijn onopgeefbare stijl van leven, met z'n domme verslaving in z'n stress. En zo heeft iedereen zijn punten die hij los moet laten en erkennen dat hij niet openstaat voor God. Dat is het tweede.
En dan, als die dag daar in Mizpa water wordt geplengd, ja dan wordt het volk pas goed ontvankelijk voor wie God eigenlijk is en voor wat Hij te zeggen heeft. Wat Samuël moest leren in hoofdstuk 4. Ik zie dit als een hoogtepunt in het boek Samuël. Daar komt eigenlijk alles wat we geleerd hebben in de vorige hoofdstukken weer terug. We zullen daar volgende week op doorgaan. We zien: Zeker, God komt tot ons! Hij blijft z'n volk bezoeken. Maar we hebben hem nooit als een stuk bezit. We hebben hem nooit als een tamme leeuw. Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit. Zo eindigt het Liedboek. En altijd keert Hij weer tot ons weer. Maar wat doen wij, de kerken van de Reformatie hebben een Mizpa nodig, een moment van totale openheid voor de Here. Waar eindelijk nu eens alles uitkomt wat er inzit. Een Mizpa van afwassing, een Mizpa als een daad van openheid, een Mizpa van ontvankelijkheid. Echt letten op wie God is. En ik denk dat er niets is wat de Heer zo diep beroerd als dat. Als we zo water zouden plengen voor het aangezicht van God, dan bespeurt Hij echte liefde. Mizpa is het einde van alle zelfbeklag.
Mizpa is het einde van alle zelfverwijt, van alle zelfprojectie, of alle zelfverwerkelijking. Nee, het is gewoon een daad van eerlijke, totale en radicale openheid voor God. Zuiverheid, toewijding. Op dat moment laat God zich kennen, want als dan de Filistijnen terugkomen, ik moet dat einde er toch zeker bij betrekken, ze komen opzetten, ze voelen zich bedreigd dat daar zo'n landdag was in Mizpa van de Israël, en ze pakken hun wapen en ze gaan er weer tegenin, dan bidt Samuël tot de Here, en hij offert een melklam in zijn geheel. Toch even nog die heenwijzing, dat ook in die toewijzing we ook nog het van die Ander moeten hebben. en dan offert hij dat melklam in zijn geheel, en dan doet God het donderen en bliksemen boven de Filistijnen, zodat ze in totale verwarring afdruipen. En Israël behaalt de overwinning. Dat is nu het laatste blijk van de terugkeer van de ark. Dat er weer overwinningen worden behaald, daar mondt het in uit! Dat heeft me ook getroffen. Overwinningsleven, dat hebben we nodig. en waar dat zichtbaar wordt, ja, daar is de ark geland. En daar is de Here zelf terug, en daar wordt de kracht van zijn opstanding zichtbaar.
Daar zwaait Hij, zoals we straks zullen zingen, de overwinningsvaan. Maar de boodschap van Mizpa dat is dit: Voor een echte terugkeer van de verloren Vader, van de verloren ark, hoe je het ook zeggen wilt, daarvoor zijn er twee nodig. En dat is het wat Mizpa ons leert. Ook de verloren zoon moest terugkeren. En wat we zagen in dit hoofdstuk dat is dit dat die verloren zoon liever die God ergens parkeert, dan dat hij zich bekeert. En daar ligt de kern. I Samuel 1 - 7 Ik vat het nog één keer samen in drie korte woorden. Het eerste wat ik leer van Mizpa is: Mizpa bestrijdt ons oerwantrouwen tegen God. O blinde schrik, het overviel mij ook toen ik het las. En dat oerwantrouwen borrelt weer overeind. Maar inderdaad, het is blinde schrik. Dat overviel ons in dit hoofdstuk. We dachten toch weer even dat God niet echt een Vader is. Maar een loeroog, een noodlot, een wurggreep. O, blinde schrik. Want het tweede dat Mizpa leert is dat God de Here juist precies omgekeerd is. Hij is maar op één ding uit, Hij is een 'lover', zouden we vandaag zeggen. Hij is maar op één ding uit, het is bij hem alles of niets: Dien mij met uw gehele hart.
Ja, daarvoor heeft Hij dan inderdaad 70 mannen in Mizpa, ja, we moeten toch zoiets zeggen als: een paar jaartjes eerder naar huis gehaald, laten we het maar wat relativeren. Ik denk, we zullen ze tegenkomen straks, hoop ik, in het Koninkrijk van God. Ze moesten dienen voor dat ene doel en dat is: het hart van Israël terugwinnen. Ze moesten dienen voor dat ene doel dat God hen, het hele volk weer wilde terugdringen tot de dienst aan hem. Dat is het tweede dat Mizpa mij leert. Het derde wat Mizpa leert is dat we nog heel wat mogen verwachten! Als wij naast 'woordkerk' ook 'antwoordkerk' worden, dan keert dat overwinningsleven terug. En dat zien we nu reuzegroot voor ons in Jezus zelf. Want daar is het in één leven ons allemaal eigenlijk voorgeleefd. Toen Hij als het unieke melklam van God zich plengde en uitgoot als water in die drie uren diepe duisternis op Golgotha, en Getsemané daarvoor. Toen keerden met hem wij allen terug tot God de Vader. Wat een kracht kwam er toen vrij! Het voorhangsel scheurde van boven naar beneden, inderdaad, bliksem daalde neer op de wachters en het graf brak open en er kwam opstandingsleven openbaar, en de vijand van God werd verslagen.
Dat mogen wij overal verwachten waar wij in Jezus, en in de kracht van zijn opstanding en ook in de gemeenschap van zijn lijden erop uit trekken. Dan komt er weer overwinningsleven. De overwinning van God op het rijk van de boze. En waar het ons om moet gaan, ook deze dag, vlak voor 31 oktober, dat is om de doorwerking van de reformatie. Zeker, Jezus heeft het eens, en daar, en toen voor ons gedaan, maar dat betekent natuurlijk niet dat het niet ook in ons moet gebeuren. En dat is Mizpa. En als Mizpa komt dan breekt de messiaanse tijd door, dat gaat vanaf hoofdstuk 8 beginnen, en dat komt omdat de bruid dan klaar is. Klaar voor ontvangst van de bruidegom. En op hem zingen we nu samen dat Lied 214. Amen.