Gemeente van Christus, Vandaag hebben we een 'gedenkuur', want dat is een dankstond eigenlijk. Het is een gedenkuur waarop we even stil staan in de tijd en daarbij natuurlijk terugkijken en vooruitblikken. Want echt danken is altijd gedenken. En dat gedenken is eigenlijk iets wat helemaal niet past in de sfeer van deze tijd. Ik las pas geleden een definitie van de westerse mens, en die filosoof zei: de westerse mens is een wezen zonder verleden, zonder toekomst, op ieder moment opnieuw geboren. En dat op ieder moment opnieuw geboren, dat geeft mij zo'n gevoel van "leven op de punt van de tijd". Alsof ieder moment weer opnieuw een punt is, we leven hier en nu op de punt van de tijd, maar het idee dat die punten samen een lijn vormen, en dat ze in wijder verband staan, dat is weggevallen. Ik moet altijd denken aan een heel bekende roman die al weer twintig jaar oud is, maar die wij, ik toen lazen, met heel veel instemming, en dat is van een engelsman, Aldous Huxley, en dat gaat over schipbreuk op een onbewoond eiland. Pala-island, en de hoofdpersoon van dat spoelt daar aan, ergens in de Indische Oceaan, en komt daar dat eiland op.
Het is totaal verlaten, er staat ergens een hutje en hij verkent het wat, en als hij dat waggele hutje, waar blijkbaar toch mensen geweest zijn, aan dat krakende deurtje opendoet, dan ineens hoort hij, en hij schrikt zich halfdood: I Samuel 1 - 7 "Here and now, boys!" Dat hoort hij, maar er is niemand. Hij denkt: Waar komt dat nu weer vandaan? Dan blijkt het een papagaai geweest te zijn, die iemand daar heeft achtergelaten, en die de vorige eigenaar dit ene geleerd heeft: "Hier en nu, mensen!" Here and now, boys! En dat is het enige wat hij de hele dag uitriep: 'Here and now!' En dat weerspiegelde toch wel de sfeer van de zestiger jaren, we leven niet in het verleden: de kerk is ook geen museum, we leven ook niet in de toekomst: we zijn geen Jehova-getuigen, maar we leven hier en nu. Op weer dat punt van de tijd. Maar waar we toen positief tegenover stonden, dat heeft zich intussen als een besmettelijke ziekte uitgebreid. Want de moderne mens is daardoor a-historisch geworden, zeggen wij. Het is de diepste achtergrond van de house-cultuur. Leven in de roes van het moment. We zijn een geslacht geworden dat zijn eigen geschiedenis niet kent. En het is waar.
Als we aan die eerste geschiedenis terugdenken, dan botsten we op tegen twee wereldoorlogen. Daar houden we ons dus maar weg van. Maar als het gaat om de toekomst, dan handelen we ook liever als en struisvogel. En het is war, als je in toekomst denkt denk je: Hoe moet het gaan met mijn baan, of dan zijn we dieper dan vroeger ervan doordrongen dat de wereldvoorraden van olie en energie eindig zijn en in de niet te verre toekomst uitgeput raken. En we denken aan het milieu dat zich tegen ons zal keren. en we zien wereldpolitici die wel koorddansers lijken om nog enigszins de zaken in de hand te houden, en we willen ook met de toekomst niks te maken hebben. Pluk de dag. Niet getreurd, wie dan leeft, wie dan zorgt. Dat noem ik allemaal leven op de punt van de tijd. En die houding is een besmettelijke ziekte. Die moet ook radicaal veranderen wil onze wereld toekomst krijgen. En dat is de boodschap van het Woord van God voor deze morgen. We leren dat vanmorgen bij de opgerichte steen van Samuël. Een steen, opgericht om te gedenken. We leren terugzien, maar dan wel met het oog op wat God ons gegeven heeft.
En dan leren we in het heden rondom ons te zien, het tweede punt, en in de derde plaats, de toekomst met vertrouwen tegemoet te gaan. Dus dat leren we van deze opgerichte steen van Samuël. Eigenlijk heel bijzonder dat Samuël dat deed. Moet je daar in een heftige strijd zijn gewikkeld, het hoogtepunt net achter je hebben zoals in Mizpa, en dan daar een wondere overwinning boeken. Wat doen wij? Wij razen voort van moment tot moment. Wij zouden gedacht hebben: Nu verder, en dan nog dit en daarna dat. Maar nee, Samuël na die overwinning daar bij Mizpa maakt een pas op de plaats en daar midden op die vlakte waar zonet de Filistijnen waren verslagen, richt hij een enorme steen op. Hij roept het volk daar om samen en die steen noemt hij dan Eben-Haëzer, steen der hulpe, en hij zegt daarbij: "Die steen staat hier, en op dit moment wordt hij opgericht, dat betekent dat tot nu toe God ons geholpen heeft." Daar moeten we even bij stilstaan, dat moeten we na laten klinken. Na de bekering in Mizpa nu overwinning bij Eben- Haëzer. Dat is een ijzeren wet in het Koninkrijk van God. Wie zich met heel het hart tot God bekeert, die gaat ook iets van dat overwinningsleven boeken, bemerken.
En dat blijkt, want als we dan zo het slot lezen van de beschrijving van de tijd van Samuël, want in 1 Samuël 8 dan komt de koning eraan. Met allemaal vraagtekens omgeven, maar hier in 1 Samuël 7 eindigt toch deze periode die dan eindigt met een beschrijving van Israël, dat nu een periode van rust en welvaart tegemoet gaat. Na Mizpa is er shalom. Dat straalt het slot van dit hoofdstuk uit. De Filistijnen worden teruggedrongen. Altijd moet je bij die Filistijnen hier denken aan die onbesneden filistijnse geest, ze staan toch ook ergens model voor de vijanden van God. Je moet niet al te gauw denken aan mensen van vlees en bloed, maar je moet dat erbij in de achtergrond zien. Die filistijnse geest wordt teruggedrongen, Samuël leidt het volk tot vrede met de omringende volkeren, de Amorieten. En hij trekt daar rond van jaar tot jaar. Moet u eens even opletten hoe aardig dat beschreven wordt, van Bethel naar Gilgal naar Mizpa. Drie plaatsen met gedenkstenen. De eerste gedenksteen werd opgericht in Bethel, en de naam die werd gegeven door Jacob, Genesis 28, en toen trok hij naar Gilgal, dat waren ook gedenkstenen. Twaalf stenen daar nog half in de Jordaan, toen Jozua Israël binnenleidde.
In het boek jozua hoofdstuk 4 kunt u dat lezen. En dan Mizpa. En daar had hij net bij Eben-Haëzer ook een gedenksteen opgericht. Van gedenksteen naar gedenksteen trekt hij rond, en richtte op iedere plaats Israël , staat er. En ten slotte bouwde hij zelf een altaar , een lofprijzing voor God. Blijkbaar had Samuël dat bouwen van die steen zelf ook geleerd. Van Jacob, van Jozua. Bethel, Gilgal. En er zit ook zoiets als een voortgang in die stenen, vind ik. Bij Bethel dat is iets overweldigends, dat daar Jacob ligt in die woestijn, en dan ziet hij daar God boven aan een ladder, en engelen gaan op en neer. En dan zegt hij: "Deze plaats is ontzagwekkend. Dat de heilige God gemeenschap zoekt met een man zoals ik". Dat is Bethel. En dan Jozua, die bij Gilgal twaalf stenen oprichtte voor de twaalf stammen van Israël, die zegt: "En als jullie kinderen daar langs lopen, en die stenen zien en vragen: Waar is dat nu voor? Zeg dan tegen hen: Dit is de plaats in de Jordaan waar de wateren werden afgesneden voor de ark van het verbond." Zo staat het er. De wateren werden afgesneden voor de ark van het verbond.
Die trouw van God waarmee Hij dat wat Hij Jacob beloofde gaat doorzetten, die zet zich door ten koste van wateren en grendels die het beloofde land dichthouden. Dat is die tweede steenhoop. En dan komt Mizpa. We gaan alleen door veel strijd het Koninkrijk van God binnen. Eben-Haëzer dat is een monument van de overwinning op die filistijnse geest. Zo trok Samuël rond, jaar na jaar, van gedenksteen naar gedenksteen. Blijkbaar moest ook Israël dit voortdurend leren. En ik denk zoiets van: Als we dat doen, gedenken, dan worden we ook zelf van zwerfstenen tot gedenkstenen. Dan worden we ook zelf van stenen die daar maar zinloos lagen in de vlakte, tot iets wat God bouwt als een monument I Samuel 1 - 7 voor zich. Ik heb weer drie punten. Hier ligt het eerste punt wat we vanmorgen moeten leren, meenemen en doorgeven aan het slot van Samuëls regeerperiode. Het is: leren van de gedenkstenen, en zelf gedenkstenen oprichten. Dat doen we nu. Het is een klein gedenksteentje, zo'n monumentje van de oogst, en het gebed daarbij, daar maken we toch even een pas op de plaats en we zeggen: Dat heeft God gemaakt. Dat alles heeft God gemaakt.
We denken wel dat wij het kunnen vandaag, maar we blijven afhankelijk op zo'n moment. Zo leren we iets weer omhoog te halen. we laten zo'n jaar niet doorrazen, maar we zeggen: Even pas op de plaats, en we kijken op, omhoog en we danken God ervoor. Tot hiertoe heeft Hij ons dit gegeven en ons geholpen. Nu, zulke gedenkstenen moeten we eigenlijk allemaal en gezamenlijk steeds weer oprichten. We hebben natuurlijk gedenkstenen, het Avondmaal is een gedenksteen, en alle feestdagen zijn zulke markeringen in het kerkelijk jaar die we vieren. Maar ook persoonlijk. Ik denk, iedere dag mag in zo'n moment eindigen: even terugzien. Niet leven op die punt van de tijd, niet voortrazen. Halt houden, terugblikken, zeggen: Tot hier toe heeft de Here me geholpen. Heeft Hij dat echt vandaag? We kunnen dan terugblikken op een dag. We blikken zondags terug op een week. Er zijn momenten dat we een langere periode terugblikken. Zo richten we gedenkstenen op. En wat bewerkt dat nu? Wat bewerkt dat als we dat doen? Nu, het bewerkt ineens de doorbreking van die desastreuze houding dat we leven op het punt van de tijd. Ieder moment worden we opnieuw geboren, dat is dan die omschrijving van de westerse mens.
Het is onzin, want we leven op een lijn. En ineens beseffen we dat we opgenomen zijn in een veel groter verband. En dat is zo bevrijdend om dat te beseffen, en zo bemoedigend naar de toekomst toe! Dat is het eerste wat we hier leren. Dat bedoel ik met: dan worden we zelf van zwerfsteen die maar lukraak leven, tot gedenkstenen, er komt structuur in ons leven, we worden monument van het handelen van God. Hoe stenen spreken. Inderdaad, dat is het eerste punt. En ik ga naar het tweede punt. Ik zei al,als je dat doet, dan ga je ook in het heden anders leven. Want, het kernpunt is, je beseft dan in het heden dat je leeft in een wijder plan van God. Het heilsplan van God omsluit de eeuwen. Daar zingen we van met de liederen van de kerk. Wij moeten ons dat steeds weer bewust worden. We leven in het kader, in de grote ruimte van het heilsplan van God. En wij moeten ons afvragen persoonlijk, maar natuurlijk ook hier als gemeente: Hoe passen wij eigenlijk in dat plan? Doen we het goed? Dat moeten we ons voortdurend afvragen. En dat moeten we ons gezamenlijk afvragen. Daarom moet je daar in een preekbespreking over doorspreken. Dat hoop ik vaker te doen als het tenminste aanslaat.
Ieder individueel, maar ook de gemeente, past in een wijder plan van God. Daar hebben we de afgelopen weken steeds weer bijzondere dingen van gezien. Ik herhaal nu even wat we toen hebben gezien. Denk aan Hanna, een vrouw, zei ik, met een leefprobleem, die ene vrouw wordt gebruikt door God als een scharnier in zijn heilsplan. Ook zij krijgt een plaatsje in het heilsplan van God. We zien ook wat er bij haar gebeurt, dat God dat speciaal bij haar doet, dat gebed in de diepte. Maar we slaan een hoofdstuk verder op en we zien een hele oude man, Eli. Hij komt op een gegeven moment in de hoofdstukken voor als een man van 98 jaar, en nog blijkt God geïnteresseerd in hoe hij zich in laat voegen in dat heilsplan. Dus denk niet dat je bij God ooit met pensioen gaat. Een man van 98, en God is nog steeds benieuwd hoe hij zal reageren. Zou hij nu echt op Mij letten en doen wat Ik wil, of zal hij compromissen sluiten. En Eli is een mengvorm. De ene keer sloot hij compromissen, daar staat hij voor bekend, maar we hebben hem ook gezien als soms toch wel een man van bijzondere statuur.
En het wonderlijkste was toch wel dat hij zijn nek brak op het moment dat hij hoorde dat de ark van God verloren ging. Dat was heel bijzonder. Niet dat hij z'n nek brak, maar dat hij hem toen brak. En dan ga je één hoofdstuk verder, en dan lees je over Samuël, een jongen van twaalf! Moet je nagaan, een jongen van twaalf, en hij krijgt een plekje in het heilsplan van God. Mensen van 98, kinderen van twaalf. En God is benieuwd. Zal Samuël zich laten aanspreken? En hij moet de kunst van het horen leren, daar hebben we ook bij stil gestaan. En dan komt Israël in zijn geheel, in hoofdstuk 4 aan bod. En Israël in zijn geheel moet leren omgaan met God, ze manipuleren het heilige, ze zijn er oververtrouwd mee geraakt en ze hebben gedacht dat God wel automatisch aan hun kant stond. En dan leert God hen diepe lessen. Ook dat hebben we gezien. Zo leren zulke momenten van gedenken bij de stenen die Samuël opricht, zo leren die ons te staan in het heden, en ons af te vragen: Doen we het goed? Zijn we samen echt op de plek waar God ons hebben wil als gemeente? Jagen we elkaar op of laten we elkaar links liggen? Zijn we wettisch of lijden we onder de softe aanpak van Eli?
Ontmoedigen we nieuwe initiatieven of stimuleren we die, zelfs als we er nog een beetje onze vraagtekens bij hebben? Wij leven op een lijn, en God wil dat we op die lijn staan, en daarbij elkaar bemoedigen om die plaats te vinden die Hij wil dat we innemen. Individueel, persoonlijk, maar ook gemeenschappelijk. Welke roeping heeft onze gemeente in deze stadssamenleving? In de samenwerking met de plaatselijke kerken? Doen we het wel goed in het kerkverband, dat is goeie vraag, pas in het kerkblad gesteld. Dat zijn allemaal vragen die ons bepalen bij: Zijn we hier nu werkelijk op onze plaats bezig zoals God het wil in het wijdere heilskader wat Hij heeft? Of zijn we nalatig? En zijn we waakzaam tegenover onze tijd, de filistijnse geest, de onbesneden geest? Of leven we ook zelf heimelijk vanuit verborgen compromissen? Al die dingen hebben we de afgelopen weken doordacht, zijn aan de I Samuel 1 - 7 orde geweest. Vandaag maken we ook mee met het oog daarop een pas op de plaats, en we zeggen: Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen. En wat wil Hij nu van ons, en hoe gaan we van hier uit verder? En dat is het derde en het laatste wat ons moet treffen.
Als we zo dat vers 12 er even uitlichten, die steen die Samuël opricht en er deze naam aan geeft, dan lezen we direct na vers 12 in één adem: Zo werden de Filistijnen vernederd en drongen het gebied van Israël niet meer binnen. Dat is een commentaar wat we nodig hebben om dit woord te verstaan. Dat tot hiertoe betekent dus niet, wat veel mensen soms denken, tot hier toe maar niet verder. Zo van tot vandaag toe, maar wat betreft morgen: 't kan vriezen en 't kan dooien. Nee, het betekent integendeel toe Samuël die steen oprichtte en zei: Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen, dat hij in één adem er aan toe voegt: Van toen af werden de Filistijnen vernederd en ze drongen het land Israël niet meer binnen. Hij trekt dus van daar uit ook een lijn naar de toekomst en zegt: Deze steen is de garantie dat het straks ook zo verder gaat lopen. Dus die gedenksteen geeft ons moed voor de toekomst.
Ik moest denken aan een heel bekend woord wat de apostel Paulus later zet aan het eind van een lang gedeelte in de Romeinenbrief, als hij zegt: "Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, -dat is in het verleden, dus teruggeblikt-, hoe zal Hij die ons in het verleden dat grote gegeven heeft, ons niet met hem ook alle dingen schenken?" Dat is de toekomst. Dus als je bij de gedenksteen beseft wat God gedaan heeft in het verleden Hij heeft ons zelfs het liefste wat Hij had gegeven: zijn eigen Zoon. Maar dan is al het ander niets voor hem! Dan geeft Hij ons met hem ook alle andere dingen. En daar is Hij mee bezig. Heenwerken naar het herstel van alle dingen. Dus, kort gezegd: Gedenkstenen oprichten in de tijd is de enige therapie tegen de grootste ziekte van deze tijd. Dat is dat leven op het moment met alle angst en onzekerheid van dien. Want wie leeft op de punt van een naald, altijd opbrandend op het punt van de tijd, het heden, roes, housse, extase, die is in feite op de vlucht voor de toekomst. Bang alleen al om te denken aan morgen. En daarom las ik het slot van de bergrede erbij.
"Weest u echter", zegt Jezus, "niet bevreesd voor wat er morgen niet allemaal kan gebeuren, wat ook morgen rust in de hand van God". Jezus kan zo spreken, omdat Hij, meer dan menig ander, geleefd heeft op een lijn. Jezus leefde niet op de punt van de tijd. Maar Hij leefde in een lijn, in het besef dat er een daarvoor was, wat heel ver reikte, en dat er een daarna kwam, wat ook heel ver zal reiken. En dat er hoogte was, de ladder heeft ook Hij gezien, en diepte. Zo stond Hij in de ruimte. En dat alles wil deze gedenksteen, Eben-Haëzer ons meegeven. Tot hiertoe heeft de Here mij geholpen. Dat doet Hij omdat Hij het ook tot daartoe doet. Want in die al gevierde overwinning heeft zich de toekomst al aangediend! Ik vertrouw op God, en ik ga in dat vertrouwen voort. En dat is het wat we als derde leren uit deze gedenksteen. Ik vat het nog even kort samen aan het slot. Het is belangrijk om telkens weer in de lijn van Samuël gedenkstenen op te richten, waarop we danken voor de hulp die God ons heel concreet in de vlak daarvoor of ver daarvoor liggende periode gegeven heeft.
Oogst en werk, overwinning op onze depressie als we geen werk hadden, overwinning van onze hebzucht, toen we de welvaart eens even helemaal voor onszelf dachten te krijgen, in al die dingen, de doorbreking daarvan en het vieren daarvan, heeft de Here ons geholpen. Dat betekent in de tweede plaats in het heden: leren leven, niet op de punt van een moment, maar op een lijn. Mijn leven zien als onderdeel van een groot heilsplan van God. En de vraag steeds weer stellen: Hoe komen we daarin verder? Laten we niet vluchtig leven, preek gehoord, weg, vergeten. Wat doet het nu eigenlijk? Leef niet vluchtig, raas niet voort. Maar neem tijd voor nader gesprek. Denk er over door, laat de dingen naklinken. En ten slotte: Eben-Haëzer betekent heel veel voor de toekomst. Want wie beseft hoe de Here hem of haar tot hier toe geholpen heeft, en wie dat viert, die weet zich ook zeker van Gods vaderhand in de toekomst. God is getrouw, zijn plannen falen niet! Amen. Meerdere preken van Wim Rietkerk zijn verkrijgbaar bij Joke van der Veen, Scharlakendreef 128 3562 GD Utrecht.
Voor meer informatie over de verspreiding via Internet: Gert Jan Kole (Reacties aan Wim Rietkerk) I Samuel 1 - 7 Alle preken zijn uitgewerkt door Joke van Veen en aangepast voor HTML door Gert Jan Kole. terug naar de homepage