Bijbeltekst: Lucas 19: 41

Gemeente van Christus, We hebben vanmorgen de geschiedenis van de intocht van Jezus voor ons. De bekende schrijver Henri Nouwen begint de overdenking van dit gedeelte, de lijdensweek, met een gedeelte van een verhaal, en met dat verhaal wil ik ook beginnen. Het gaat over een verscheurd land, waar bevolkingsgroepen met elkaar in conflict zijn gekomen en een gespannen oorlogsituatie bestaat en hij vertelt hoe daar in een klein dorp op een bepaalde dag het dorp bezoek kreeg van een vluchteling, een jonge man die zich daar probeerde te verbergen voor de soldaten van het regeringsleger, die hem zochten . De dorpsbewoners ontvingen hem vriendelijk, de jongen was aardig en ze boden hem onderdak en een goede verblijfplaats. Maar de week daarop kwamen de soldaten van het regeringsleger en ze vroegen waar de jongen was. Iedereen werd bang, want de soldaten dreigden het dorp plat te branden en iedere man te doden, als niet voor de zonsopgang van de volgende dag het dorp bekend zou maken waar hij was en de vreemdeling zou uitleveren.

Toen gingen de dorpsbewoners die dag naar hun geestelijke en zeiden: "Wat moeten we doen?" De dominee, heen en weer geworpen tussen die twee onmogelijke oplos-singen: de jongen uitleveren of de dood van zijn dorpsbewoners, sloot zich op in zijn kamer, en hij bracht de nacht door met bijbellezen en bidden, in de hoop voor zonsopgang een antwoord te krijgen. En na vele uren viel vroeg in de morgen zijn oog op deze woorden uit het evangelie: "Het is beter dat één man sterft dan dat het hele volk verloren gaat." Toen sloot de dominee zijn bijbel, riep de soldaten en vertelde hen waar de jongen verborgen was. De soldaten namen de jongen mee, buiten het dorp en zetten hem voor het vuurpeleton. In het dorp was een grote opluchting want de dominee had het leven van vele mannen gered. Maar de dominee zelf vierde geen feest. Hij zat in zijn kamer en was door diepe droefheid overvallen.

En die nacht verscheen aan hem een engel en die vroeg: "Wat heb je gedaan?" De dominee antwoordde: "Ik heb een vluchteling overhandigd aan de vijand en zij hebben hem gedood." En de engel zei: "Maar wist je dan niet dat dat de Messias was?" Toen zei de dominee: "Maar hoe kon ik dat weten?" De engel zei: "Als je hem die nacht had opgezocht en je had hem in zijn ogen gekeken dan had je het gezien." Ik vind dat een heel bijzonder verhaal, en gebruik het als inleiding op de uitleg vanmorgen, eigenlijk om duidelijk te maken wat we op Palmpasen moeten doen. De evangelist Lucas richt op Palmpasen heel nadrukkelijk onze blik even op de ogen van Jezus. Want hij beschrijft: "Toen hij dichterbij kwam en de stad zag, weende Jezus over haar." Het staat maar één keer in het evangelie van Lucas: Jezus weende. En Lucas vertelt dat als een onmisbaar detail. Hij zegt: "Ik keek in zijn ogen en er stonden tranen in." En dat is wonderlijk, want de intocht was een heel mooi feest geweest tot dan toe. Inderdaad, Palmpasen is een voorproefje van het grote feest dat zou komen, de intocht van de koning van God, de Messias.

En toch, als Jezus daar dicht bij de stad komt, dan staan er tranen in zijn ogen, dan is hij diep bedroefd. Waarom? Wat zijn dat voor tranen, en hoezo? Het antwoord op die vraag helpt ons, als we de komende week ingaan, Goede Vrijdag, goed te begrijpen, Golgotha te begrijpen. De tranen in de ogen van Jezus zijn namelijk helemaal geen wanhoopstranen die treuren over zijn eigen lot, maar het zijn tranen van ontferming, en die alleen maken het mogelijk om Goede Vrijdag en ook komende week het kruis van Golgotha goed te overdenken, te begrijpen. Want heel veel mensen, ook christenen, geloven dat Goede Vrijdag in wezen een mislukking was. Eigenlijk zijn de Emmaüsgangers er al mee begonnen. Want we lezen al van de Emmaüsgangers dat er staat geschreven toen daar die vreemdeling met hen optrok dat ze hem vertelden: "Wij dachten, -in de verleden tijd- wij hoopten dat deze het was die Israël verlossen zou.

Maar kijk, hij is geëindigd aan het kruis, hij is hopeloos mislukt en al onze hoop is de bodem ingeslagen." De grote bekende theoloog Albert Schweitzer heeft in zijn boek over het leven van Jezus de stelling verdedigd dat Goede Vrijdag inderdaad de mislukking was van Jezus en dat hij gaandeweg, maar met name op Palmpasen tot de ontdekking kwam: "Het gaat mislukken! Er is een menigte mensen die Mij juichend inhalen, maar de leiding wijst Mij af." Zoals bleek in vers 39 en 40, waar staat dat de leiders Jezus afwezen, en dan ziet Jezus als het ware de grote mislukking voor zijn ogen opdoemen, zoals Ceausescu, ik weet niet of u dat beeld nog voor ogen hebt, dat daar die dictator in Roemenië daar stond voor een juichende menigte, maar toen hij goed keek en luisterde hoorde hij dat het anti-leuzen waren die ze droegen en riepen. Hij keek verbouwereerd achter-om, want heel z'n wereld stortte ineen. Zo zegt Albert Schweitzer dat op het laatst heel Jezus' leven ineen is gestort. Het is één grote mislukking geworden. Dat is wat vele christenen denken: Goede Vrijdag, het is uitein- delijk een mislukking, er wordt een weerloos mens aan de vijand uitgeleverd.

En iets van de droefheid van die dominee uit het verhaal, dat vervult dan ons hart. Het is een mislukking, het is iets wat eigenlijk nooit had moeten gebeuren. Zo denken veel mensen. Zo krijgen we een valse smaak in de mond, zoals in het eerste deel van het verhaal wat ik vertelde. Iets van: "Hoe kunnen we dat nu ooit accepteren dat iemand weerloos sterven moet, zelfs als het voor ons is?" Het wordt nog erger als de kerk zegt: "Het is ook door ons verraad." Dan blijft er eigenlijk alleen nog maar droefheid over. Maar toen kwam in dat verhaal van Henry Nouwen die engel binnen die zei: "Maar je had hem in de ogen moeten zien! Dan had je een totaal ander beeld gekregen. Dan had je gezien dat het de Messias was die dit deed." Dat doen wij vanmorgen, we letten met Lucas op de met tranen gevulde ogen van Jezus en het grote wonder is dat Lucas uitdrukkelijk vertelt wat voor droefheid Jezus overviel. Want die ogen waren niet met tranen gevuld over zijn eigen mislukking of zijn eigen ondergang. Die ogen waren alleen met tranen gevuld over de stad en haar lot. Dat is de grote ontdekking van Lucas op Palmpasen.

Als Jezus neerdaalt vanaf de Olijfberg dan zegt hij: "Och, dat u toch op deze dag verstond wat u tot vrede dient!" Dat beweegt hem. "Maar thans is het verborgen voor uw ogen!" Jezus ziet de tijd opdoemen waarin de diepte van het heil door het volk van God niet wordt begrepen en afgewezen, en dan de verdrukking die daarna over Jeruzalem komt. En zijn hart is vervuld met pijn voor de stad. Pijn om het feit dat ze het goede moment niet hebben gezien, de tijd niet hebben opgemerkt dat God naar hen omzag en daarom weent Jezus. Niet om zijn mislukking maar, zou je kunnen zeggen, om de mislukking van Jeruzalem. En dat geldt nu voor de hele lijdensweek die komt. Jezus was met ontferming bewogen om de discipelen, om Israël, eigenlijk om al de verloren kinderen van Adam. En heel de lijdensweek wordt duidelijk dat Jezus geen moment dat tegemoet ziet als het moment van de grote mislukking, maar juist als het moment van de vervulling van zijn opdracht. Door heel het evangelie heen wijst Jezus al die weg.

Vorige keer hebben we stil gestaan bij dat moeten, bij die vier keer herhaalde aankondiging van het lijden, dat Jezus zei: "Maar ik moet naar Jeruzalem gaan" Het was een heilige aandrift om dat te gaan vervullen wat in de verheerlijking op de berg door Mozes en Elia aan de Here Jezus wordt voorgehouden als de grote uittocht. Ze spraken met hem over de uitgang -exodus staat er-, die hij in Jeruzalem moest gaan vervullen en zo voorkomen dat het volk verloren ging. Het is dus een weg die Jezus uit diepe bewogenheid op zich neemt. Offerbereide liefde. En daarom zegt Jezus tegen de vrouwen van Jeruzalem op de kruisweg: "Weent niet over mij, maar weent over uzelf, dat je maar mag zien op het moment waarop het gekomen is, en ziet wat tot je vrede dient." We zijn de dienst vanmorgen begonnen met die tekst uit Markus, dat Jezus niet is gekomen om te heersen, maar om te dienen en zijn leven te geven als een losprijs voor velen. Het zijn Jezus' eigen woorden: voor velen.

En op de avond voor Goede Vrijdag heeft Jezus dat eigenlijk gezegd toen hij het brood brak en het uitdeelde en zei: "Dit is Mijn lichaam, voor u verbroken." De Here Jezus is dus niet een jammerlijk slachtoffer van ons verraad, want dan zouden we ons net zo ongelukkig voelen als de dominee uit het dorp in het verhaal. Nee, integendeel, als we naar zijn ogen zien dan weten we dat hij met ontferming bewogen was en dat het enige dat Jezus wilde dit was: De zijnen liefhebben tot het einde. En dat maakt alles anders. Als de dominee in het verhaal die restloze bereidheid in de ogen van de jongen had gezien, dan was hij niet bedroefd geworden, maar diep verwonderd, en misschien was hij met hem meegegaan, dat was de weg geworden, dat iemand zoveel liefde voor de mensheid had en hij zou zeker de Messias herkend hebben. Want daaraan herken je de Messias. Je herkent hem aan zijn ogen, daaruit spreekt zijn bewogenheid. Zijn bewogenheid om de mensen, om de schapen zonder herder, om de stad die zijn ondergang tegemoet wankelt. Nog des te tragischer als de redding zo nabij is!

Want ze hoefden, net als Israël in de woestijn, alleen maar aan de voet van het kruis te staan en op te zien naar de gekruisigde, zoals Israël in de woestijn alleen maar hoefde op te zien naar de slang die verhoogd werd en hen zou genezing geworden. "Och, of u toch op deze dag verstond wat tot uw vrede dient", zegt Jezus, en dat is wat hem bewogen heeft op Palmpasen. Ik draag dat met mij mee in de week die komt. En ik hoop dat de Here Jezus dat van de hoge niet ook voor ons zit te verzuchten, want je kunt heel dicht bij God wonen, dat blijkt hier wel, Israël, je kunt in zijn stad wonen, onder de schaduw van de Messias en toch kan het nog voor je ogen verborgen zijn. En Jezus zegt: "Het is onvermijdelijk, dan komen daar de dagen van het gericht", en die komen zeker, ook over de westerse christen-heid, als ze Jezus zouden gaan zien als een mislukking en zich afwenden, en daar zijn we dichtbij. Maar het hoeft niet. Het hoeft niet als we, zoals Lucas zegt, maar blijven zien op de ogen van de Here Jezus.

Want daaruit sprak geen seconde angst voor de mislukking, of de zorg om zijn eigen lot, daaruit sprak alleen maar ontferming en mededogen en offerbereidheid en vaste beslotenheid om dit offer van zijn leven te gaan brengen. Liever dat Hij stierf dan dat het volk zou verloren gaan. En in die vastbeslotenheid heeft Jezus ons liefge-had tot het einde. Tot de laatste volheid van die zelfvergeten liefde. Zo is God, zo heeft Jezus ons gered. Dat is het wat we deze laatste zondag voor de lijdensweek hebben mogen zien. En wie bij het verhaal van de intocht van Jezus zich afvraagt: "Wat kan ik daar uit meenemen?", die mag dàt in gedachten houden: Let op de ogen van Jezus, op zijn ontferming voor ons. Hij die intocht deed, niet op een paard maar op een ezel, de koning van de vrede, met ogen gevuld met tranen omdat hij niet wil dat één mens verloren gaat, maar dat allen tot behoud komen. Amen. Opwekkingslied 268: Hij kwam bij ons, heel gewoon, de Zoon van God als mensenzoon. Hij diende ons als een knecht en heeft zijn leven afgelegd. refrein: Zie onze God, de Koning-knecht, Hij heeft zijn leven afgelegd.

Zijn voorbeeld roept om te dienen iedere dag, gedragen door zijn liefde en kracht En in de tuin van de pijn verkoos Hij als een Lam te zijn, verscheurd door angst en verdriet maar toch zei Hij: Uw wil geschied'. refrein. Zie je de wonden zo diep, de hand die aard en hemel schiep vergaf de hand die Hem sloeg. De man die onze zonden droeg. refrein. Wij willen worden als Hij. Elkanders lasten dragen wij. Wie is er nederig en klein? Die zal bij ons de grootste zijn. refrein. Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk. Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl