Gemeente van Christus, Het is vandaag het Paasfeest en, zoals we bezongen hebben, dat is het feest van de opstanding. De opstanding van Jezus uit de doden. Het is eigenlijk een overwinningsfeest. Daarom zijn we vanmorgen begonnen met dat Lied 214, een overwinningslied. Want het moet bevochten worden. De opstanding moet bevochten worden op een vijand, want de dood is in de bijbel een vijand, een macht, en achter die macht van de dood zit de vijand van God, en dit is een overwinning die bevochten moet worden op die vijand. Maar wat geldt voor het feit zelf, de opstanding, dat geldt niet minder ook voor de zekerheid van dat feit, die moet ook bevochten worden. En dat geldt natuurlijk van de eerste getuigen van de opstanding in de eerste plaats, de vrouwen en de discipelen, wat een moeite zij hadden om te geloven. Het begint eigenlijk de paasdag met twijfel en duisternis. En dat geldt ook voor ons, dat geldt voor u en voor mij. We hebben die zekerheid van de opgestane Heer niet altijd bij ons en zomaar tot onze beschikking. Precies dezelfde weerstanden die de vrouwen ervan weerhielden om te geloven gelden eigenlijk nu nog, houden ons vandaag nog in de greep.
Maar het wonder is, zoals toen het licht de duisternis overwon, zo gebeurt het vandaag nog! Dat is eigenlijk het wonder van de Geest van God, de kracht van de opstanding, de Heilige Geest die ons gegeven is en die eigenlijk bij ons precies hetzelfde doet als bij de vrouwen op die paasmorgen: de duisternis verdrijven en ons brengen tot de zekerheid. En dat doen de engelen door dat bijzonder scherpe en indringende woord aan het adres van de vrouwen als ze daar aan komen lopen en verbijsterd daar twee gestalten in een lichtend gewaad aantreffen, dan zeggen die gestalten tegen de vrouwen: "Maar wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is hier niet want Hij is opgewekt! En herinnert u zijn woord." Het zijn drie zinnen, en dat zijn eigenlijk drie ontmaskeringen van drie vormen van donkerte en duisternis waarin wij vast kunnen zitten. Het eerste is wat we lezen als de vrouwen daar op weg gaan, die eerste soort duisternis. Het wordt ons breedvoerig verteld door Lucas. Zij waren er, eigenlijk vanaf het moment dat Jezus van het kruis was afgenomen en in het graf gelegd, zeker van dat dit het einde was. Dit is het einde van hun droom.
En ze zijn dan ook naar huis gegaan en hebben daar specerijen en mirre klaargemaakt, zo wordt ons verteld. En ze wachtten tot de Sabbat over was en dan vroeg in de volgende morgen zijn ze daar, terwijl het nog donker is, naar het graf gerend, met de specerijen en mirre, om de dode de laatste eer te bewijzen. Het is piëteit, het is geen geloof wat ik hier zie. Het is het enige wat ze nog konden doen. En dan blijkt hoe ze bevangen zijn door die realiteit van die dode, gekruisigde Jezus, want als ze aankomen bij het graf zien ze de steen van het graf afgewenteld! Maar ze komen niet tot inzicht! En dan gaan ze naar binnen, ze zien het lichaam niet, maar ook dat doet nog geen bel bij hen luiden. En ze zien daar die twee lichtende gestalten en nog dringt er niets tot hen door, en dan is het tijd dat die engelen hen wakker schudden en fel verwijten en zeggen: "Waar zijn jullie nu mee bezig? Denk je nu echt dat je de levende zal vinden bij de doden?" Die engelen hebben dus wel beproefd dat er zelfs in die rouw en in die gang van die vrouwen toch een zoeken zit. Het kan toch niet zo zijn dat Hij nu helemaal weg is? Zoiets zit er toch in.
En ze zeggen: "Nee, zeker, Hij is de levende en je moet hem niet zoeken onder de doden." Ik hoor dat als eerste boodschap, aan de vrouwen toen en aan ons nu: Wees niet gefixeerd op het graf. Zit niet altijd te denken aan je dood. Blijf ook niet staan bij het graf van je geliefden. Cultiveer niet op een ongezonde manier dat wat van de doden is overgebleven. "De levende Heer is niet te vinden bij de doden", zeggen de engelen. Dat geldt breder ook van onze doden die in Christus ontslapen zijn, ze zijn niet te vinden daar in het stof der aarde. De vrouwen waren gefixeerd op het graf. Dat is het eerste kenmerk van alle duisternis als we alleen maar gefixeerd zijn op de dood en de dood als het einde van alle dingen waar toch uiteindelijk alles in uitmondt. Daar word je ook somber van. En daar worden de vrouwen uit weggeroepen door de stem van die engel die zegt: "Maar wat zoek je de levenden bij de doden? Hij is hier niet, Hij is opgewekt en Hij gaat u voor!" Dat is hun boodschap. En daar komt dan direct een tweede ding bij. Wie gefixeerd is op het graf, zoals hier de vrouwen, die zijn ook altijd gericht op het verleden.
Moet u maar eens opletten, die staan eigenlijk met hun rug naar de toekomst. En ze leven eigenlijk in een soort gevangenis die ze zichzelf hebben geschapen. Dat is ook typisch voor een nog niet door Pasen omgevormd levensgevoel. Dat geeft altijd een soort fixatie op het verleden. Net als de vrouw van Lot, die omzag en een zoutpilaar werd. Zo lopen de vrouwen en de Emmaüsgangers eigenlijk alleen maar voort, met de blik gericht op het verleden. We dachten -in de verleden tijd- dat deze het was die Israël redden zou. Dat is het tweede wat wij ook doen. Wij bouwen onze zekerheden niet op dat wat God zegt dat Hij gaat doen, maar wat mensen zeggen vanuit het verleden dat absoluut zeker zal gaan gebeuren. We letten niet op wat op ons toekomt, maar we letten alleen op dat wat op ons afkomt. Moet u daar maar eens op letten. Een paar weken geleden stonden we daar breder bij stil in Mattheüs 16, bij Petrus die daar ook in wegzonk. Bij alles wat we doen denken we altijd eerst wat het verleden ons voorschrijft.
We denken bij ziekte aan de prognose van de dokter, we denken in het kerkelijk leven bij de regels van de traditie, en we voelen ons zeer bedreigd door onontkoombare ontwikkelingen die economen en politici allemaal schetsen. De wetten van de statistiek, die gelden voor ons. En we trekken die lijnen uit het verleden door naar het heden en die vormen samen de verwachting waarin wij ons als in een gevangenis opgesloten voelen. En steeds weer dreigen we in zulke gevangenissen te belanden. We kijken naar de statistieken van het kerkbezoek, en dan denken we oh, oh, al die lijnen gaan naar beneden, die buigen af. De lijnen van de ontkerkelijking. En dan slaat je de angst om het hart, want denk je eens even in: Je kleinkinderen en je achterkleinkinderen, en straks het hele nederlandse volk, en het zal niet meer weten wat het zingt, als het zingt: "Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij, o God, mijn Heer." Denk eens aan je achterkleinkinderen, dat ze Jezus niet kennen! Dan raak je gevangene van de prognoses van het verleden, die je doortrekt naar het heden, en je wordt benauwd. Zo doen we het voortdurend op alle terreinen.
We denken aan wat er voor ergs is gebeurd, met mijn lichaam, of met mijn kind, of met mijn laatste studiejaar, of met mijn jeugd, thuis. Of misschien in de frustraties van misschien heel moeilijke verhoudingen. We kijken terug naar het verleden en we trekken de lijnen van daaruit door naar het heden, en we worden allemaal benauwd. Alleen maar bang en somber in het heden. Precies zoals de vrouwen deden op de morgen van de opstanding. Ze waren als de vrouw van Lot, terugkijkend naar het verleden. Een paar weken geleden wees ik er al op, een grote denker en proever van onze tijd, zoals toch Prof. J.H. van den Bergh is, dat hij in zijn nieuwe boek 'Metabletica van God', gezegd heeft: "Dat is eigenlijk het hele kenmerk van de westerse cultuur, met die grote invloed die de wetenschap en de techniek heeft op ons leven, die heeft ons eigenlijk daarheen gevoerd, dat we alleen maar rekenen met een heden zoals het vanuit het verleden te voorspellen is. Want wetenschap en techniek baseer je op proeven vanuit het verleden.
Van daaruit trek je de lijnen logisch door naar de toekomst en zo worden wij allemaal mensen die ons laten benauwen door het verleden wat ons het heden dicteert." Hij schrijft in dat boek zelfs ergens: "Toen de wiskundige reeks werd uitgevonden, drie eeuwen geleden, toen veranderde de westerse cultuur in een op het verleden gerichte cultuur. Zo ging het de vrouwen op de opstandingsmorgen. Ze verwachtten niet meer dat God nog echt iets zou doen. Dat is het en daar ligt de tweede bevangenheid, het tweede kenmerk van 'voor-paselijke duisternis', die bij ieder mens aankleeft voor het licht van de opstanding binnenbreekt. Het is niet kunnen geloven dat God echt binnenbreekt in deze wereld. Binnenwerelds denken, binnenwerelds leven. Niet geloven in de levende God. Uitgerekend dat breekt nu de engel open door zijn verwijtende vraag: "Maar waar ben je mee bezig? U zoekt de levende bij de doden. Hij is hier niet, Hij is opgewekt, dat wil zeggen: Er gebeurt iets nieuw van gene zijde en Hij komt op u toe." U moet op Hem rekenen als de levende Heer die u voorgaat. De levende. Ik moest denken aan een joods commentaar op dit evangelie.
Er is een joods commentaar op geschreven en die zegt: "Dit woord -wat zoekt gij de levende bij de doden- is eigenlijk een joodse uitdrukking." Ik wist dat ook niet maar het komt uit een commentaar op het oude testament, een heel apart verhaal. Een bij de joden bekend verhaal van Mozes en Aäron toen ze bij de Farao in Egypte aankwamen. Toen zeiden ze tegen Farao: "We komen in de naam van de God van Israël, Jahwe." Toen zei de Farao: "Wacht even, ik moet even kijken wie dat is." En hij ging naar binnen in zijn paleis en hij opende de boeken en ging kijken, hij kwam weer terug en zei: "Ik heb hier wel een god van Moab, en een god van Sidon, en een god van Ammon, maar Jahwe, de God van Israël die ken ik niet." Toen zei Mozes tegen Farao: "Gij dwaas, wat zoek je de levende bij de doden?" Daar schijnt deze uitdrukking gangbaar door geworden te zijn. En het is inderdaad opvallend dat dit de erenaam is van de God van Israël, dat Hij de levende God is. Het is ook opvallend, de eerste keer dat dat dat voorkomt is door Mozes. Mozes is de eerste die God de levende God noemt.
U kunt het lezen in Deuteronomium 5, waar hij zegt: "Jullie, Israël, jullie hebben de stem van de levende God gehoord." Dat is voor het eerst dat het daar voorkomt. En Jozua neemt het dan over (Jozua 3). Jozua staat aan de Jordaan, en ze kunnen eigenlijk het beloofde land niet binnengaan, en dan zegt hij: "Vandaag zal openbaar worden dat de levende God in uw midden is." En hij laat de priesters met de ark vooruit het water inlopen en het water splijt. Dat is ook weer de levende God. En David neemt het over, denk maar aan zijn strijd met Goliath, waar hij zegt: "Jullie laten door die onbesneden Filistijn de horden van de levende God honen!" De levende god. En dat vind je vanaf dat moment steeds weer terug in de schriften. In Jesaja, waar Sanherib de levende God hoont, en bij Daniël in de leeuwekuil, daar zegt de koning als hij die vroege morgen daar aankomt: "Gij dienaar van de levende God." Daar krijg je dat zelfde woord weer. Zo vlecht zich die boodschap door de bijbel heen. Het unieke van de God van Israël is dat Hij de levende God is, de God die daadwerkelijk ingrijpt, die handelt in de geschiedenis, die doden opwekt.
In het nieuwe testament zegt de apostel Paulus dan ook in Handelingen 14, in Listra: "Jullie heidenen, ik roep je op je te bekeren van de afgoden en je heen te wenden naar de levende God!" En hij noemt de gemeente de tempel van de levende God. Het weeft zich door heel de schriften heen en tenslotte eindigt het in het boek Openbaring met die uitspraak dat Jezus verschijnt en zegt: "Ik ben de eerste en de laatste en de levende. Ik leef tot in alle eeuwigheden." Wat we hier vanmorgen vieren is het hart van het evangelie. God laat zich niet opsluiten in het verleden. Hij laat zich niet overweldigen door de macht van de dood. Hij is niet, zoals de engelen al zeggen, onder de doden, voltooid verleden tijd, nee: Hij is de levende. Het grote bewijs is hier de opstanding van Christus. Daarom zeggen de engelen ook tegen de vrouwen: "Hij laat u niet alleen, Hij gaat u voor, Hij komt op u toe." Zoals Jezus zelf gezegd had,daar vlak voor: "Ik ga heen en Ik kom tot u, en ik zal u niet als wezen achterlaten." Ik moet hier altijd denken aan de bekeringsgeschiedenis van de bekende schrijver C. S. Lewis.
Hij was een atheïst en hij veranderde in één van de vurigste pleitbezorgers van het christelijk geloof, en in een boekje "Wonderen", pas geleden in het nederlands vertaald, vertelt hij hoe dat kwam. Hij zegt: "Die overgang bij mij is eigenlijk gekomen op het moment dat ik besefte dat God de levende God is. Lange tijd had ik mij bezig gehouden met de god van de filosofen, en in de noorse mythen met de god die in alle religies wordt vereerd, en daar was ik heel druk mee geweest, tot de dag kwam dat ik met een schok ontdekte dat Hij er echt was, de levende God. Een dergelijke schok kent iedereen wel eens in verband met kleinere zaken. Als je gaat vissen en ineens gaat de dobber onder. En als je in het donker plotseling iemand hoort ademen. De schok komt altijd op het moment dat de sensatie van leven aan je wordt meegedeeld, waar we dachten alleen te zijn. Kijk uit, roepen we dan, het leeft! En dat was voor mij een moment waarop ik dacht: Nu moet ik weg wezen, nu had ik me willen terugtrekken, en ik had het gedaan als ik had gekund, want een onpersoonlijke god, akkoord, daar had ik mee kunnen leven. De god van de filosofen die verplicht tot niets.
Maar een God die op je toetreedt, die je aanspreekt, die er is, die je voorgaat, die je oproept, de echtgenoot, de jager, de levende God, dat is een heel ander verhaal. Er komt een ogenblik waarop de kinderen die inbrekertje spelen in de hal, de adem inhouden en zeggen: Maar waren dat echt voetstappen op de trap?" Ik denk dat dat Pasen is, dat moment, wanneer dat plotselinge besef bij de vrouwen en de discipelen is doorgebroken. De één nu, de ander straks, het plotselinge besef: "Maar Hij is waarlijk opgestaan! Het is echt gebeurd." En daarom zegt Jezus: "Ik sta aan de deur en Ik klop, wanneer u opendoet treed Ik echt binnen." En dat is Pasen, dat is leven vanuit de opstanding, de opgestane Heer begroeten, hem binnenlaten in je leven. Dan gaat dit besef doorbreken, dat we een levende Heer hebben, die, zoals de engelen zeggen, niet is op te sluiten in onze gevangenissen, en in onze prognoses, en in onze toekomstverwachtingen vanuit het verleden, maar die ons toetreedt, tegemoet treedt, binnenbreekt, openbreekt, bevrijdt. Dat is het tweede dat ik wilde laten zien en doorgeven vanuit deze tekst. Tenslotte het derde punt.
De derde en de laatste bevangenheid van de vrouwen en de discipelen waaruit Jezus hen bevrijdde was heel eenvoudig, hun onkunde, hun niet- bekendzijn met de schriften. Wij zijn geneigd bij Pasen alles te benoemen vanuit het punt van ervaring. Maar een ervaring, iets wat je overkomt, kun je niet plaatsen als je niet de schriften kent, het heilsplan van God, het grote verhaal. Dan laat je je moeilijk overreden. Of je legt het verkeerd uit. Als de vrouwen alleen maar verschrikt opkijken, zo staat er, van de wondere verschijning van de engelen, dat bracht hen niet tot geloof, ze kijken alleen maar verschrikt op. En dan zeggen de engelen tegen haar: "Herinnert u hoe Hij u, toen Hij nog in Galilea was u alles geleerd heeft, u alles uitgelegd. Hoe Hij -en dan komt weer dat moeten-, hoe Hij moest overgeleverd worden, moest gekruisigd worden, moest opstaan. Dat wondere moeten is dat moeten van de schriften die vervuld moeten worden. Niet vanuit het verleden een plicht, maar het is een moeten vanuit de droom, het heilsplan van God, straks dan gaat dat zich vervullen en daarom moeten deze dingen gebeuren.
De schriften vertellen ons dat grote verhaal, vandaar de teksten die ik las, speciaal die met de boom des levens, daar had ik natuurlijk een gedachte bij. Want diezelfde engelen die daar met dat zwaard heen en weer flitsend de toegang tot de boom des levens bewaakten, hier zitten ze, met het zwaard in de schede, en ze leiden heen naar de levende Heer, die toegang geeft tot de boom des levens. Die dingen ga je verstaan als je de schriften kent. Dat is een heilsplan van God, wat vertelt dat God er mee bezig is om zijn beloften te vervullen door Jezus Christus, zoals we Goede Vrijdag zagen, de Koning, het Lam en de Zoon des mensen. Dan moet je de schriften kennen. En als je de schriften kent dan weet je dat het zich hier bezig is te vervullen. En daarom hebben die engelen dan ook de vrouwen daarheen geleid: "Herinnert u wat Hij u geleerd heeft. En ga dan, en open je leven voor de opgestane Heer." Daarom: Hou vol. Open uw leven voor Hem en Hij zal ook in uw leven komen. En pas er voor op om niet vast te komen zitten in diezelfde duisternis waarin ook de vrouwen in het graf vastzaten. Het eerste is: Blijf niet staan bij het graf.
Breder gezegd: Staar je niet blind op de dood, hoe erg die ook is, maar richt je blik op de Opgestane. En het tweede is: Wees niet als de vrouw van Lot, die omkeek, en wat gebeurde? Ze veranderde in een zoutpilaar. Leef niet met het oog wat uit het verleden op je afkomt, maar wat vanuit de toekomst in Jezus Christus op je toekomt. En dan het derde: Lees de schrift. Laat je die heilsweg uitleggen, want dan ga je het begrijpen. De schriften maken het ons bekend dat de levende God een heilsplan heeft en dat aan het vervullen is, en dat het grootste al gebeurd is: De opstanding van Jezus Christus. En tenslotte: Zegt het allen dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan, dat met zijn Geest Hij ons omringt, waar we ook staan of gaan. Amen. Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk. Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl