Niet zuur en niet zoet, maar zout
Wim Rietkerk
Het zout van de aarde zijn, is volgens de woorden van Jezus de roeping van alle gelovigen. Maar wat betekent dat: zout zijn? Wat maakt zout zout? En hoe kunnen we dat worden? Kijk naar de details van wat Jezus zegt.
Ik begin even met een beetje aardrijkskunde: de Dode Zee. Misschien bent u wel eens in Israël geweest en heeft u een excursie naar de Dode Zee gemaakt. Dan weet u waarom die Dode Zee in het Hebreeuws ook de Zoute Zee genoemd wordt. Het soortelijk gewicht van het water is zo hoog door het zout, dat je daar zonder te zwemmen in kan gaan liggen als in een fauteuil. Je neemt een krant mee het water in en je maakt een mooi toeristisch plaatje van hoe je hebt gedreven in de Dode Zee.
Het hoge zoutgehalte was natuurlijk van oudsher een bron van inkomsten voor Israël. Ze kunnen vandaag de dag nog steeds zout uit die Dode Zee zout krijgen, maar de manier waarop ze dat vroeger deden was anders. In de tijd van de Here Jezus waren het van die klompen die ze eruit haalden en lieten opdrogen. En hier kunnen we iets moois leren over wat Jezus ooit zei: pas op dat het zout niet z’n kracht verliest.
Hebt u dat wel eens meegemaakt dat het zout z’n kracht verloor? Nee, dat kennen wij niet meer. Dat komt omdat wij het tegenwoordig op een andere manier maken. Maar toen, als je dat zout in zo’n klomp te lang liet liggen, kreeg het een soort chloorachtig, smerig smaakje. Als je dat proeft, spuug je het gelijk uit. Als een klomp eenmaal zover was, gooide je die weg. Ze gebruikten het wel op landweggetjes om de gaten mee op te vullen en goed fijn aan te stampen. Met andere woorden: het dient nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden, zegt Jezus.
Dat is het zout dat zijn kracht verliest. Maar Jezus zegt er dan bij: “Jullie zijn het zout van de aarde.” De vraag is dan: hoe kan dat zout z’n kracht behouden?
Zout zijn
Het eerste punt is dat Jezus tegen de discipelen zei: “jullie zijn het zout van de aarde.” Opvallend dat Jezus niet zegt: jullie moeten het zout van de aarde zijn. Dat lijkt maar een kleinigheid, maar het doet er beslist toe, dat Hij het zo zegt. Zoals jullie nu al hier zitten, zegt Jezus, mij toelatend in jullie leven, zijn jullie het zout van de aarde.
Wij denken altijd dat we het moeten zijn. Zo lezen we dat dan ook als we een bepaald brilletje opzetten. Door die bril lezen we in de Bijbel wat we allemaal niet moeten, en zo worden we van die christenen die zuchten onder hun plichten en verplichtingen. Maar het verassende is dat Jezus helemaal niet zegt “jullie moeten”; het is niet in de eerste plaats een opdracht, maar een belofte. “Jullie zíjn het.” Jullie zíjn het zout van de aarde.
Dit is een heel belangrijk punt. Ook in de brieven van Paulus komen wij dit tegen. Paulus zegt altijd eerst wat we zijn, en dan pas wat we moeten worden. Eerst dus wat God ons geeft, bij voorbeeld: waar we in moeten rusten en ontvangen, en dan pas wat wij geven. Eerst wat we in Hem zijn, en dan wat we van daaruit mogen wezen en worden. En zo zegt de Here Jezus het hier ook: jullie zíjn het zout van de aarde.
Sit, Walk, Stand
Er is een klein maar indrukwekkend boekje van ruim 30 jaar geleden, door de Chinese Watchman Nee geschreven, dat Sit, Walk, Stand heet. Daarmee heeft hij met drie woorden eigenlijk de boodschap van Paulus willen samenvatten. En het is waar, zoals je Paulus leest in bijvoorbeeld de brief aan de Efeziërs. Hij begint bij met wat we zijn, waar we zittend in moeten rusten, en dan van daaruit hoe we kunnen wandelen. En ten slotte: standhouden. Zitten, wandelen en standhouden.
Dat klinkt ook door in de woorden van Jezus: eerst God danken voor wat we mogen zijn. Eerst ontvangen, door Zijn Geest in ons te laten werken. Dan gaat het. Luther zei al: een steen die door de zon warm geworden is, straalt nu eenmaal hitte uit. En daarin krijgt het andere deel, dat wat we moeten, een heel andere kleur.
Soms gaat het gewoon vanzelf. Soms heb je er niet eens erg in. Dat zijn misschien wel de leukste dingen, die waar we er zelf helemaal geen erg in hebben dat we zo zijn en zo doen. En dat is wat Jezus wil bevorderen. “Jullie zijn het”, zegt Hij. Het is een grote bemoediging: “Jullie zíjn het!” Dat wil zeggen: wees wat je bent!
Eigenlijk is niets zo irritant als mensen die zo nodig steeds moeten bewijzen dat ze iets zijn. Een vader die aldoor aan zijn kinderen moet aantonen dat hij hun vader is. Dat vinden kinderen behoorlijk irritant. Ook in de politiek werkt dat zo: als we altijd maar betonen dat wij christenen zijn, wordt iedereen moe van ons. Wees gewoon wat je bent. Eerst: zitten. Zitten is rusten, je ergens op laten rusten. En dan pas: wandelen. En dan pas: standhouden. En er komt nog heel veel meer kijken.
Zuur of zoet
Dat brengt me tot het tweede punt: wat we als zout dan zijn. Zonder de beeldspraak zou het antwoord zijn: geliefde kinderen van God. Maar Jezus geeft er wel een beeld voor. Helmut Thielicke zei eens: misschien zouden we verwachten dat Jezus tegen zijn discipelen zou zeggen: jullie zijn de honing van de aarde. Als we denken aan het liefdegebod wat hier in de Bergrede ook zo centraal staat, zou honing misschien een goed beeld lijken. Maar dat zegt Jezus niet, Hij heeft het over zout.
De ChristenUnie heeft in Utrecht een keer een protest aangetekend tegen een geveldoek. Het was een schunnig doek dat een paar jaar geleden centraal in het winkelcentrum werd opgehangen. Maar het was een erg onhandige actie, want er kwam toch een lawine aan boze mailtjes en commentaar binnen - dat zou je niet geloven! Toen dacht ik: moet je kijken, hoe mensen ons dus zien.
Wanneer je dat zou nagaan, hoe mensen ons zien, dan is het duidelijk dat mensen ons vaak beschouwen als zurige figuren die altijd maar een wijsvingertje opheffen. Alsof Jezus tegen ons zei: jullie zijn de augurken van de aarde, de zuurpruimen.
Die twee uitersten van de honing van de aarde en de zuurpruimen van de aarde zie ik als twee tegengestelden. Soms lijkt er een pendelbeweging tussen die twee te ontstaan, bijvoorbeeld van “kijk eens hoe aardig we zijn” naar “pas op! Seks is heel gevaarlijk!” of zo. Met andere woorden, staan we niet soms bekend als zuurpruimen en dan weer, op een ander moment, als honing, als aardige, lieve mensen? Het is opvallend en goed om te onthouden, dat Jezus zegt: Jullie zijn niet zoet, niet zuur, maar zout.
Smaakmakend
Dat zout is wel heel bijzonder, want dat beeld houdt nu precies in wat Jezus bedoelde te zeggen. Prima als we aardig zijn, prima als we commentaar geven. Maar het eigenlijke beeld ervoor vindt Jezus het beste hiermee aangeduid: zout. Want zout is namelijk niet altijd aangenaam. Het prikt. Er is zelfs een uitdrukking aan ontleend: zout in de wonde strooien. Dat doet zeer, want zout kan branden. Het weert af, maar daarin zuivert zout ook. Wat er niet in thuis hoort, brandt het weg. Zout selecteert, het kiest, het irriteert, het roept weerstanden op. Zout maakt impopulair en het haalt boven wat de mensen maar bedekt willen houden. Zout schrijnt en het bijt.
Staan we zo bekend? Alleen langs die impopulaire weg van het zout kan bederf worden geweerd – maar natuurlijk is het ook zo dat alleen langs die weg smaak wordt verleend. Want tegelijkertijd geeft zout smaak. Iets zonder zout is niks aan. Maar is er zout door gemengd, dan ineens krijgt het smaak. Dan wordt het bevestigd en krijgt het kleur. Ik denk dat dat een typerende kenschets is van christelijke actie, goede politiek. Ik heb dat trouwens van Felix Rottenberg, die zei: goede politiek is weerstanden breken. En het impopulair durven zijn in de weg van het zout, dat is misschien de moeilijkste kant van het werk. Maar het moet gebeuren – en tegelijkertijd is het enorm bevestigend.
Pas het toe als een voorbeeld in de opvoeding: wees niet zuur naar je kinderen, en wees ook niet zoet, maar wees zout naar je kinderen. Als je zout bent dan ben je heel betrokken op de kinderen; aan de ene kant bederfwerend en aan de andere kant smaakmakend. Aan de bederfwerende kant is het belangrijk dat ouders richting geven aan hun kinderen: niet flirten in losse relaties, opletten met het alcoholgebruik, enzovoort. Zo kan je als vader en moeder heel scherpe commentaren leveren op je kinderen die er in bijten.
Maar tegelijk hoort het altijd bevestigend te zijn, smaakgevend: zeggen tegen je kinderen hoe fantastisch ze zijn en ook hoe goed ze het doen. Dat is wat zout doet: het geeft smaak en het weert het bederf. Niet zuur, niet zoet, maar zout.
Uitspringen
Nu ten slotte het derde punt: hoe zijn we zout dan? Eigenlijk is het antwoord heel eenvoudig. Het zout moet het zoutvat uit. Ik heb eens een preek voor kleine kinderen van dominee Gert van de Brink gelezen. Daarin vertelde hij: er zaten eens heel veel korreltjes zout in een zoutvat, en ze zaten met elkaar te praten. “Het is heerlijk hier,” zei de een. “Ja,” zei nummer twee, “zo fijn, hè? Allemaal van hetzelfde soort bij elkaar.“ “Weet je wat,” zei nummer drie, “we zouden een nog veel groter zoutvat kunnen bouwen, met nog veel meer zoutkorreltjes, en dan kunnen we lekker dubbelzout zijn met elkaar!” En toen was er ten slotte één zoutkorreltje dat zei: “Nee hoor, daar doe ik niet aan mee, ik ga er uit en spring in de soep!” En de anderen zeiden: “Pas maar op, je bent een waaghals! Straks breek je je nek, en je bent sowieso maar één onbeduidend korreltje.” “Maar,” zei nummer vier, “hier is het niet uit te houden,” en hij sprong in de soep.
Dat kinderverhaal geeft heel eenvoudig aan hoe je zout moet zijn. Hoe zijn we wat we zijn? Door uit de pot te springen. Het zout moet het zoutvat uit. Dat is Jezus’ boodschap voor ons vandaag. En het deeg is het waard. Dat is ook heel apart, Jezus vergelijkt de menselijke samenleving niet met vuilnis, een verachtelijk, verwerpelijk ding, of zwarte, waardeloze troep – een dode zee. Hij typeert het als een enorm grote massa met potentie. Want dat is deeg.
Deeg is een massa met potentie. Er schuilt een enorme potentie in onze steden! Mooie mensen, minder mooie mensen, mooie organisaties, treurige organisaties, goede scholen, slechte scholen, alles nog in beweging. Het kan alle kanten op, dat deeg.
Jezus gaf zijn leven om dat deeg smaak te geven, om het de goede kant op te brengen. Hij was een offer, met zout. Het is opvallend dat als je in de Concordantie het woord ‘zout’ intypt om te zien waar dat voorkomt in het Oude Testament, het dan altijd verbonden blijkt met het offer. Al die teksten gaan over offeren met zout. Onze offers moeten met zout gezouten worden. Alles er voor over hebben om het deeg te redden.
Dat is eigenlijk onze christelijke roeping. Op school en werk, in maatschappij en politiek. Hoe ben je nu een zoutend zout in dat deeg? Door het vat uit te springen. Zet je in voor het deeg. Het is de moeite waard. Jezus zelf is eigenlijk die ene zoutkorrel die er het eerst uit durfde springen. Die uit de verbondenheid wegsprong in het deeg van deze wereld. En zo heeft Hij niet alleen deze hele wereld van het bederf geweerd, maar ook deze hele wereld smaak gegeven. Dat is een onvoorstelbaar wonder. Jezus gaf zijn leven voor deze wereld. Nou, laten wij dan onze energie, naam en tijd en ons geld er ook maar in investeren. Offeren met zout, zoals we geroepen zijn.
Jezus niet zegt: jullie moeten het zout van de aarde zijn. Hij zegt: jullie zíjn het.
Alleen langs de weg van het zout kan bederf worden geweerd – en smaak worden verleend.
Jezus vergelijkt de samenleving niet met vuilnis maar met deeg – een massa met potentie.